(Te veel) zelfinzicht

Kort geleden luisterde ik op één dag naar drie mensen die allemaal ergens mee zaten, ergens tegenaan liepen, ergens zorgen om hadden – zorgen en problemen die in alledrie de gevallen niet gering waren en de gezondheid in niet geringe mate een ongezonde kant opduwde – en die alledrie een bewonderenswaardige hoeveelheid oplossingen wisten op te sommen die ze vervolgens met alle mogelijke argumenten neersabelden, een lot dat ook de enkele denkrichting die ik aandroeg ten deel viel, als insecten die de uitgangen van alle cocons al hadden dichtgemetseld nog voor ze maar een begin hadden gemaakt met het leggen van een eitje.

Wat me eraan herinnerde dat ik nog een geschikt plekje moest vinden voor het insectenhotel. En dan ophangen natuurlijk.

Privé

Ik keek Zomergasten met strafrechtadvocaat Inez Weski. Had je vroeger de befaamde knipselmap waaruit journalisten voortdurend dezelfde ditjes en datjes-prak opduikelden en nog maar weer eens opwarmden als ze een bekend figuur gingen interviewen, tegenwoordig zijn internet, sociale media en praatprogramma’s de plastic soep waaruit de niet ter zake doende privé zaken – eetgewoontes, muziekvoorkeuren, ziektes, sportprestaties, liefdes, beroemde voorouders, vakantiebestemmingen, huizen, (klein)kinderen, vrienden en burenruzies – worden opgevist.

Je zou bijna vergeten dat het ook zonder kan, en Inez Weski liet zien hoe spannend televisie wordt als die ruis er niet is. Zonder familie, hobby’s, reizen, mislukte liefdes of uitspraken van oud-studiegenoten waren er geen makkelijke bruggetjes of afleidende verklaringen voor alle wijsheid, opvattingen en waarschuwingen die de strafrechtadvocaat ons schonk. Schone televisie zou ik het willen noemen.

Voor het eerst

Vrijdag oogstte ik voor het eerst in mijn leven een courgette. Hij was net zo mooi als de allermooiste courgette in de winkel. Ook knipte ik twee mini-komkommers los. Het radijzenvak haalde ik leeg, ik schepte de grond om, deed er een beetje nieuwe moestuinmix bij en ook een schepje voeding, en maakte alles goed vochtig. Daarna duwde ik met mijn wijsvinger zestien ondiepe gaatjes in de grond, mooi geometrisch verdeeld over het plantvak van dertig bij dertig centimeter. In ieder gaatje liet ik twee of drie zaadjes vallen die ik daarna voorzichtig met aarde bedekte, niet meer dan een halve centimeter. Tot slot drupte ik nog een beetje water op ieder zaaiplekje. Nu had ik worteltjes gezaaid, ook voor het eerst in mijn leven.

Machtswellust

Het lezen van Midas Dekkers’ De larf is een feest. Als zijn boeken tot de basis van het biologieonderwijs zouden behoren – dat dan wel op achtjarige leeftijd moet beginnen en niet pas bij twaalf –, dan zou ieder kind bioloog willen zijn. Net toen ik me begon af te vragen of hij ook eens een boek zou kunnen schrijven over de onnavolgbare machtswellust van sommige mensen, begon Dekkers er zelf over. ‘Met een bibliotheekje evolutieleer, een beetje verbeelding en een dosis flair kan een bioloog vandaag de dag een eind komen met het verklaren van menselijk gedrag, maar de machtswellust van dictators die liever hun volk uitmoorden dan hun positie af te staan, multimiljonairs die ‘s nachts wakker liggen van de beurs en voorzitters die ook directeur willen zijn is me altijd een raadsel geweest, tot ik werd herinnerd aan de machteloosheid van een kind dat verlangt naar een atoombom.’

We zijn in het hoofdstuk ‘De generatiekloof’ over kinderen die weinig weet hebben van de wereld van volwassenen en volwassenen die niks begrijpen van de kinderwereld. ‘Op school heeft de leraar het voor het zeggen, thuis heerst het ouderlijk gezag. Een bed is voor een kind iets om op tijd in te moeten, een bord iets om leeg te eten, de televisie iets waar je na je huiswerk naar mag kijken. Wie geen macht heeft, heeft geen recht.’ Het gebrek aan leeftijd veroordeelt een kind tot tenminste twaalf jaar opsluiting in leslokalen, schrijft Dekkers. Het mag niet autorijden, in het casino gokken, roken, alcohol drinken, konijnen dood schieten. In het recht is een kind in feite ontoerekeningsvatbaar, kinds, niet goed bij zijn hoofd.

Maar, stelt Dekkers, zo kijkt een kind ook naar de volwassenen, die zijn ook niet goed bij hun hoofd vanwege alle onbegrijpelijke dingen die ze doen: in bed, foeterend op de belastingen, lurkend aan de wijn waarvan ze zeggen dat die slecht is, luisterend naar opera. Het onbegrip van kinderen voor hun ouders bereikt een climax in de pubertijd, wanneer menig tiener de politie zou willen bellen om hun ouders te laten ophalen, maar ja, schrijft Dekkers ‘wetboeken zijn niet door kinderen geschreven en ouderschap is nog steeds niet strafbaar.’ Wel zweert het kind een dure eed: wacht maar tot ik groot ben. Dekkers: ‘Godzijdank vergeten de meeste mensen, eenmaal groot, dat ze ooit kind geweest zijn. Maar er zijn er die hun eed hoog houden. Ze grijpen de macht waar ze hem vinden en houden hem, als bergbeklimmers die vergeten om weer af te dalen. Hoe groter de macht, des te banger zijn de hebbers van die macht om hem weer kwijt te raken.’

Ik haalde ze voor de geest, de eedzweerders, de gekwelde kinderen in de presidentiële paleizen en CEO-kamers. Nu nog een boekje, Midas, over het biologische mechanisme dat mensen ertoe verleidt om dergelijke reuzenbaby’s in die presidentiële paleizen en multinational boardrooms te stemmen.

Daarna kunnen de therapeuten los.

Koper

Mijn broer zei: ‘Als je een mondkapje nodig hebt, in de schuur staat een hele doos.’ Ik zei dat ik er zelf een bij me had, haalde het zwarte lapje travelstof uit mijn broekzak en zette ‘m op. Mijn broer vond ‘m erg sjiek. Ik zei dat er koper in zat, dat ik ‘m keer op keer kon gebruiken. ‘Adem je het ook in?’ vroeg mijn broer.

Hem hoefde ik niks uit te leggen over de dodelijke werking van koper. Hij vertelde dat onze opa vroeger – heel lang geleden, voor er chemische bestrijdingsmiddelen bestonden tegen de gevreesde aardappelziekte phytophthora, veroorzaakt door de oömyceet of pseudoschimmel Phytophthora infestans  – zijn aardappelen wel eens met koper bespoot. Biologische boeren deden het nog steeds, zei mijn broer. Al maakte dat hun bodemleven wel heel erg dood.

Deadheading

De Engelsen noemen het deadheading, het afknippen van uitgebloeide bloemen. Ik leerde het woord in het BBC televisieprogramma Gardeners’ World dat al meer dan een halve eeuw bestaat en waarvan ik het bestaan pas onlangs ontdekte door het radioprogramma Kunststof waarin de hoofdredacteur van het Nederlandse tijdschrift Gardeners’ World te gast was. Ik keek een stuk of vijf afleveringen achter elkaar op YouTube, verdeeld over twee avonden, ook toen ik kasten ging verschuiven die nog altijd wachten op een Marktplaats-koper bleef ik gewoon luisteren naar die niks-aan-de-hand-het-is-altijd-mooi-weer-en-nergens-oorlog-of-ruziestem van Monty Don terwijl hij in zijn kloffie rondloopt en zaait en plant en met een kruiwagen in de weer is in zijn eigen tuin Longmeadow in Herefordshire. Vanuit die tuin zijn er uitstapjes naar andere tuinen. Ik zag een man die zijn gras twee keer per dag maaide en ‘s avonds als de kinderen op bed lagen in de propvolle, uitbundig bloeiende borders langs dat groene biljartlaken een uurtje ging deadheaden.

Vanochtend hurkte ik bij de Potentilla’s, die vrolijke bloeiers met kleine felroze bloempjes naast de vijver. Ik keek zeker tien minuten om uit te vogelen wat de uitgebloeide knopjes waren en wat de knopjes die nog in bloei moeten komen. Van die laatste waren er maar weinig, vandaar. Toen ik dacht te weten hoe het zat, begon ik te knippen. Een klusje van vijf minuten.

Mobiel

Mobiliteit. Als een kind alleen zou luisteren naar onze ministers van verkeer en infrastructuur dan zou het denken dat mobiliteit een ander woord voor asfalt is, maar in de crossfitbox betekent mobiliteit de beweeglijkheid van ons lijf. Vooral de heupen hebben mobiliteit nodig. Bij de oefening waarbij we het rechterbeen een stap naar voren zetten en het bovenlijf naar rechts draaien om vervolgens dat rechterbeen een stap naar achteren te zetten en het lijf op dezelfde manier naar links te draaien, zegt trainer P: ‘Deze oefening kun je ook heel goed ‘s ochtends doen, als je uit bed stapt en je lijf wil vertellen dat de dag weer begonnen is.’