Remington Sperry Rand

Hij is brandweerrood. Het indrukken van de twee zwarte knoppen om het deksel los te krijgen gaat wat moeizaam, maar daar is ie dan. Waren de toetsen wit? Was ik vergeten. Verder ben ik niks vergeten: het zwarte hendeltje rechts onder de wagen om de wagen te ontgrendelen; het metalen hendeltje om de rol los te zetten zodat het papier er makkelijk doorheen gaat, daarachter de hendel om de wagen zonder toetsaanslagen naar links te laten schieten; de twee lijnkantinstellers; de hendel om de wagen mee naar de volgende regel te duwen, met een kleine beweging komt die omhoog of druk je ‘m omlaag zodat ie in opgeborgen stand onder de kap past; het hendeltje om de regelafstand op 0, 1 of 2 te zetten. Ik weet waar ik op het rode plastic moet drukken om de kap rondom de hamertjes los te maken om zo bij het lint te komen. Alle mechaniek die in beweging komt als ik een toets indruk is zichtbaar en navolgbaar.

Ik typte er mijn spreekbeurt over vulkanen op, en die over Charlie Chaplin. Mijn leeslijsten voor de mondelinge examens op de middelbare school schreef ik op deze machine, net als de papers voor mijn studie tot zeker in het derde of vierde jaar.

Het aanslaan gaat zwaar, de inkt in het lint is nog niet uitgedroogd. Ik leerde typen toen ik een jaar of elf was. Ik heb het diploma nog, ‘praktijkdiploma machineschrijven volgens het tienvingersysteem blind:’ 216 aanslagen per minuut, een 8 voor het indelen van brieven en formulieren, een 9 1/2 voor accuratesse.

Het was het vierde diploma in mijn leven, na twee zwemdiploma’s en een verkeersdiploma.

In het kunststof deksel zijn letters mee gegoten: COVER MADE IN ITALY TYPEWRITER MADE IN HOLLAND.

‘Zijn typemachines nog wat waard?’ vraag ik R.

Kat, oorlog

Mijn nichtje heeft vier honden, drie katten, vijf kippen, twee konijnen. Zoiets, misschien zijn de aantallen alweer opgelopen. Toen ze nog hier woonde – volgens haar eigen berekening vijf jaar, waarop R uitriep: ‘Wat, was het zo lang?’ – wilde ze heel graag een huisdier, maar wij waren onverbiddelijk. Het kon geen toeval zijn dat uitgerekend op deze dag, waarop zij een strategische stoel aan onze keukentafel had uitgekozen waarna we volgens de regels weer eens lekker bij konden kletsen en samen eten, ik de zwartwitte kat de achtertuin in zag sluipen. ‘Het zal toch niet,’ zei ik. Ik had het beest maanden, misschien wel een heel jaar niet in de tuin gezien. En dat was maar goed ook, want het beest produceerde Havanna sigarige drollen die onder geen enkele weersomstandigheid vergingen. Ik had zeker tweehonderd satéprikkers in de grond gezet die ik tijdens alle latere beplantingswerkzaamheden weer heb verwijderd, waarbij ik regelmatig in mijn eigen zwaard viel, tot op de dag van vandaag.

Ik klopte op het raam, maakte me groot en dreigend met woest keelgebrul, bukte om de anti-inbraakstang los te schroeven, stond weer op om de schuifdeur van het slot te draaien en open te schuiven. We hadden oogcontact, de kat en ik, woede tegenover angst, maar allebei niet groot genoeg, want de kat deed nog een paar stappen, pauzeerde, keek mij weer aan, en pas toen ik buiten stond met veel geluid en gebaren, draaide die om, aarzelde en klom toen tegen de schuttingdeur op om er aan de andere kant vanaf te springen. Hij kan er dus ook gewoon onderdoor, wees ik mijn nichtje naar de opening onder de schuttingdeur.

Iets later op de avond, toen we de la-dolce-vita lasagne net op hadden, verscheen de zwartwitte kat op de schuttingrand. Nu was het R die ten strijde trok. De kat keek het opnieuw even aan – niet onverstandig, eerst nadenken alvorens te handelen – deed ondanks R’s gegrom en gezwaai en gerommel aan die deur eerst nog een stapje naar voren, hield toen halt, deed nog een stapje, schakelde vervolgens in de achteruit, drie stappen terug, besloot toen dat draaien handiger was. R stond ondertussen op zijn sokken in de tuin te sissen en grommen en met zijn armen te maaien. De kat zat inmiddels op de hoek van de schutting waar die moest kiezen tussen links en verder over de schutting van de buren, of naar rechts en verder over onze schutting, of naar beneden, de brandgang in. Het beest verkoos de sprong naar beneden. R rammelde nog wat aan de schuttingdeur, bukte om onder de deur door te kijken en nog wat te grommen en sissen.

En al die tijd dat eerst haar tante en toen haar oom ten oorlog trokken in hun postzegeltuin, lag ons nichtje dubbel van het lachen, ze heeft een heerlijke lach, tranen liepen over haar wangen, minstens vijf minuten lang en dat twee keer. Misschien hadden we de kat wel besteld.

Nog meer asperges

Zondag aten we al Limburgse asperges met nieuwe Frieslanders en een sausje van een beetje melk, roquefort, gerookte zalm, gekookt ei en peterselie. En nu zat er een zak asperges in het groentenkrat van Landzicht. Ze zullen ze niet zelf telen of steken, daarvoor is de grond op mijn geboorte-eiland veel te zwaar, maar ze wisselen ook weleens producten uit met andere biologische telers die rechtstreeks aan de consument leveren.

Mijn oog viel op het recept van citroenrisotto met asperges, dat had ik al eens gemaakt, dat was erg lekker. Wat had ik nodig? Vierhonderd gram asperges, in principe was dit zakje genoeg, maar ik moest ze nog schillen, wie weet hoe lang het kontje was dat er nog af moest, een citroen, risottorijst, parmezaanse kaas, doperwten uit de vriezer, wat peterselie, ui, knoflook. Eigenlijk had ik alles in huis, maar ik had zin om naar buiten te gaan.

Ik wandelde naar het winkelcentrum, liep binnen bij Nektar, vroeg aan de eigenaresse die achter de naaimachine mondkapjes zat te naaien of ze de broeken van travelstof misschien al binnen had. Ze schudde haar hoofd. De groothandel was nog steeds dicht, nou ja, niet helemaal, maar wel de winkel waar zij naartoe wilde, omdat die zijn voordeur in het overdekte gedeelte had, en daar waren alle winkels nog dicht in tegenstelling tot de winkels met hun deuren onder de blote hemel. Die groothandel, zei ze, is net een soort winkelcentrum, alleen kun je er nooit één broek kopen, je moet altijd een serie kopen, dus die ene broek in vier maten. Maandag ging ze het weer proberen.

Daarna liep ik even binnen bij de groentevrienden. ‘Doe maar wat asperges,’ zei ik. Het werden er zeven en aan de wijzer van de weegschaal zag ik dat ik straks meer dan twee keer zoveel asperges zou hebben als in het recept stond.

Thuis begon ik met het schillen van de asperges. Ik pakte de rolmaat, keek hoeveel 2,5 centimeter was, sneed vervolgens alle asperges in stukken van ongeveer 2,5 centimeter, deed ze in een pan water en bracht ze aan de kook. Daarna snipperde ik een ui en een teen knoflook, fruitte die, woog minder risottorijst af dan in het recept stond – 175 gram in plaats van 200 – en roerde die door de glazige ui en knoflook, maakte ondertussen bouillon, bluste de rijst-ui-knoflook af met een scheut witte wijn, wachtte tot het vocht verdampt was en schepte toen een soeplepel bouillon bij de risotto, roerde, wachtte tot die verdampt was, schepte weer een lepel bouillon erbij, enzovoorts. Tussendoor raspte ik de schil van de citroen, perste de citroen, raspte een stuk parmagianokaas en sneed een bosje platte peterselie fijn.

Toen de asperges vijftien minuten gekookt hadden, goot ik ze af en toen de bouillon bijna op was, proefde ik de risotto. Die moest nog heel even, dus goot ik nog wat heet water bij de bouillon en schepte nog wat bouillon door de risotto. Daarna was het een kwestie van assembleren: ik deed wat laatste bouillon bij de risotto, roerde er een handvol diepgevroren doperwten samen met de aspergestukken door en wachtte tot alle vocht verdampt was. Vervolgens roerde ik de citroenrasp, drie eetlepels citroensap, de kaas en de peterselie er vlug door.

Eten maar. Die dubbele hoeveelheid asperges en iets minder risottorijst deden het gerecht meer dan goed. ‘Exquise,’ zei R.

Ongenode gasten

Ik deed 200 milliliter melk in een maatbeker, deed er 300 milliliter water bij en goot het melkwater in een plantenspuit. Er zat meeldauw op het kruipend zenegroen, ajuga reptans zeggen de plantenverkopers. Niet op die nieuwe, die in het verhoogde plantvak links van de vijver staan en die al vroeg bloeiden, diep blauw, hoog ook, en die nu lekker uitlopen en de grond gaan bedekken zoals mijn plan is. Nee, het ging om het oudere zenegroen dat ik in een van de nieuwe lage plantvakken heb gezet, gewoon van een plantje dat ooit figureerde in een inmiddels gesneefd geveltuinproject, en dat rondom de Japanse azalea al een flink stuk grond bedekt en dat inmiddels ook in bloei staat, iets minder hoog, iets milder blauw, richting violet. Maar nu dus met dof grijs blad.

De plantenspuit deed het niet. Ik schopte mijn laarzen uit, stapte de keuken in, pakte onderuit de keukenkast het kopstuk van een andere plantenspuit, deed mijn laarzen weer aan, maar die spuit deed het ook niet en omdat ik die melk en dat water nu eenmaal gemengd had, moest het nu wel gebeuren. Dus schopte ik mijn laarzen opnieuw uit en keek ik in het gootsteenkastje en zag daar de bijna lege fles keukenreiniger. Die is van een heel verantwoord merk, dus draaide ik de spuitkop eraf, spoelde ‘m af, deed water in de maatbeker, zette het slangetje van het keukenreinigerspuitstuk erin en spoot net zolang tot er alleen nog water uitkwam. Toen ging ik weer naar buiten en draaide de spuitkop op de plantenspuit. Die paste, dat zijn van die technische dingen waarin ik vertrouwen heb, dat daar van China tot Europa allemaal dezelfde maatvoering voor wordt gehanteerd. Ik spoot het zenegroen flink onder en besloot ook nog even de phloxen onder te spuiten. Die zaten vorig jaar helemaal onder de meeldauw, maar zijn dit jaar weer prima opgekomen, en omdat ik het nu weet, van die gevoeligheid voor meeldauw van de phloxen, dacht ik: voorkomen is beter dan genezen.

Toen ik de spuitkop weer schoon had gespoten en teruggedraaid op de keukenreinigerfles, keek ik nog even naar de framboos. Die was, nu ik de varen uit de enorme pot gehaald had en iets voor de Annabellen op een mooi schaduwrijk plekje in de volle grond had gezet, nog de enige plant in een pot. Verderop voor de yucca lagen inmiddels zes deels roestige bakken en potten te wachten op een ritje naar het Milieupark. Dat was afgelopen weken het tuinproject: om met het oog op die steeds langere en hetere zomers alles wat nog in potten stond eruit te halen en in de volle grond te zetten.

Ik zou de framboos in het hoekje achter het verhoogde plantvak rechts van de vijver en onder de blauwe druif kunnen zetten, op de plek waar ik afgelopen herfst een Thalictrum of Chinese ruit heb gezet, maar die is – anders dan de Thalictrum naast het pampasgras – dit voorjaar niet meer opgekomen. Is het slim om een framboos tijdens de bloei te verplaatsen? En wat zijn die raar in elkaar gekrulde blaadjes? Ik krulde een paar blaadjes terug, bestudeerde de achterkant. Luis.

Ik ging weer naar binnen, keek op internet, opende het keukenkastje, zette een emmertje op de weegschaal, goot er 20 gram groene zeep in en 20 gram spiritus en een liter warm water. ‘Ah,’ zei R, ‘luis?’ Zo’n mengseltje had hij vroeger vaak gemaakt. Ik prepareerde weer mijn geïmproviseerde plantenspuit, deed mijn laarzen aan, ging voor de framboos op mijn knieën zitten, billen op mijn hielen, en begon blaadje voor blaadje te spuiten, voor en achterkant, tot die liter op was.

Dat ik zo op mijn dubbelgevouwen benen zat, billen op mijn hielen, bovenkant van de voeten gestrekt op de grond, was mentaal. Er moest straks nog een filmpje gemaakt worden voor de Stay@HomeGames, week 5 alweer.

Lippen op elkaar

Sommigen spraken over oorlog en grepen de bestrijding van het virus aan om tanks uit de kazernes te halen en ongelimiteerde noodwetten door het parlement te jassen. Anderen spraken over zelfmoord omdat ze wisten dat de wereldwijde lock downs veel meer slachtoffers gingen vergen dan Covid-19, vanwege massaal geen werk, geen inkomen, geen eten, landen failliet, ten onder aan schulden, geen geld meer voor fatsoenlijke gezondheidszorg. Weer anderen zagen een massale angstreactie – angst voor de dood, angst voor het lijden, angst voor Italiaanse, Spaanse, New Yorkse toestanden, angst voor chaos, angst voor rijen wachtende ambulances waarin hun dierbare stierven, angst voor dag en nacht draaiende crematoria die zelfs op 4 en 5 mei niet stopten – waarna niet het virus zelf maar de controle van het virus (met als afgeleiden: controle over het aantal besmettingen, controle over het aantal ic-bedden, controle over het gedrag van de bevolking) de obsessie was geworden. Omdat we het niet meer kunnen: leven in een wereld die niet te controleren is.

Ik kauwde een poosje op die woorden – oorlog, zelfmoord, controle – en groef ondertussen een gat voor één van de twee vetplanten met prachtige roze bloemen, bitterkruid, Lewisia’s. We kochten ze gisteren in een klein tuinplantencentrum aan de rafelrand van de oude voormalige dorpskern IJsselmonde. Was het verantwoord om te gaan, vroeg ik aan R. ‘Tuurlijk,’ zei hij. Op de snelweg was het ouderwets vrijdagdruk, bij het plantencentrum viel het enorm mee. Lewisia’s zijn rotsplanten. Ik heb geen enkele ervaring met rotsplanten, maar wat niet is, kan komen. Dus las ik het een en ander en schepte ik uit de achterste border, waar ooit geel split voor een bepaalde uitstraling moest zorgen, flink wat stenige grond en vulde daar een lege pot mee.

Ik nam de pot mee naar het plantgat, zette de kleinste Lewisia in het gat, haalde ‘m er weer uit, maakt het gat ruimer en begon toen kiezelgrond onderin te scheppen. Ik schudde de Lewisia voorzichtig uit de pot en zette ‘m weer in het gat. Daarna pakte ik handjes kiezelgrond en verdeelde die rondom de plant, iedere keer de grond zachtjes aandrukkend tot het hele gat gevuld was.

Het hedendaagse patroon bij elke crisis, zei filosoof en psychiater Damiaan Denys vannacht in het radioprogramma Nooit meer slapen, is dat er iets gedaan moet worden, handelen, dat is wat we verwachten. In die context is het voor politici heel lastig om af te wachten. ‘Nadenken wordt niet meer beschouwd als een handeling,’ zei hij. Terwijl dat bij de oude Grieken de hoogste vorm van handelen was. Soms is niet-handelen, even wachten tot je meer weet, ook een verstandige reactie.

Toen de eerste Lewisia mooi stond te wezen ging ik opnieuw naar de achterste border om nieuwe kiezelgrond te scheppen en die mee te nemen naar de plek waar ik het tweede plantgat ging maken. In de aarde zaten witte luchtige wortels als korte rietjes, ik vermoedde dat het de aanvoerlijnen van de Afrikaanse lelies waren en daarom groef ik verder met mijn vingers om breuk zoveel mogelijk te voorkomen. Toen het gat diep genoeg was herhaalde ik alle handelingen van de eerste Lewisia.

Er waren onderzoeken geweest over de draagwijdte van druppeltjes. De Engelstaligen zat het niet mee, bij het uitspreken van stay healthy sproeiden de druppels bij de ‘s’ en de ‘th’ veel en ver. Misschien, dacht ik, terwijl ik mijn handen aan mijn broek afveegde en de nieuwe aanplant bewonderde, konden we een poos zwijgen. De lippen op elkaar, langdurig. Urenlang. Misschien, heel misschien konden we met goed geboende handen en wangen zelfs dichter bij elkaar zijn dan die anderhalve meter, áls we onze kelen maar gesloten hielden.

10 kilo, 15 kilo

Ik fietste langs de middelbare school zonder scholieren, langs de autowasstraat zonder auto’s, langs het hotel zonder gasten bij de schuifdeuren en zonder zakken die boven de afvalcontainers uitstaken. Voor de kantoren tegenover het hotel telde ik een handvol auto’s op de parkeerplaatsen, maar ook veel lege vakken en al helemaal geen auto’s half op de stoep, half op de straat of kantoorlui die met veel te veel haast aan kwamen scheuren. Bij de crossfitbox stond één andere fiets, een vrouw stond naast de lege parkeerplaats, ik ken haar van de ochtendtrainingen op donderdag en vrijdag. Voor de dichte deur een jongeman.

Trainer P – ‘wij blijven positief en dankbaar voor alles wat wel kan’ – kwam aangereden, opende de deur, hij en de jongeman liepen naar binnen, een van de twee draaide aan een knop die de grote loodsdeur omhoog deed rollen. Direct achter die deur lagen alle materialen: kettlebells, barbells, wallballs, dumbbells, springtouwtjes, matjes. De jongeman pakte pionnen, liep weer naar buiten waar hij op de parkeerplaats een parcours uitzette voor de jongelui die met permissie van Rutte weer met elkaar mochten trainen. De vrouw en ik pakten allebei twee rubbertegels en legden die op zekere afstand aan de rand van de parkeerplaats. Daarna pakte ik een stang van 15 kilo, schopte een van de rubbermatten ietsje naar rechts en legde de stang op de twee matten. Vervolgens pakte ik nog een stang van 10 kilo. Eerst maar eens kijken wat ik nog kon.

Ook de vrouw pakte een stang, ze was zaterdag ook al geweest, ze zei dat sommigen bijna in katzwijm waren gevallen toen ze weer zo’n barbell in hun handen konden houden. Was ze aan het werk? Zat ze thuis? De vrouw was opleider van verpleegkundigen in het Erasmus. ‘Er wordt nu flink aan ons getrokken,’ zei ze terwijl ze wat extra gewicht op haar 15 kilo-stang schoof. Ze bedoelde: de acute zorg wilde iedereen weer terug de verpleging in, handen aan het bed, haar directe bazen vonden dat het opleiden door moest gaan en alles zo snel mogelijk digitaal gemaakt moest worden. Met de 10 kilo-stang wist ik de power cleans weer te maken, nog even proberen met de 15.

Na een half uur maakten we de spullen schoon, lieten de stangen liggen, de jongen die tijdens mijn laatste reguliere les schijnbaar moeiteloos het touw inklom tot de nok van de box stond al te wachten om onze plek in te nemen, en fietsten op flinke afstand van elkaar een stukje gezamenlijk op richting onze huizen. Dat kon nu makkelijk.

Naar de stad

Op de dag na Bevrijdingsdag met ‘s avonds weer een persconferentie van de premier in het vooruitzicht fietste ik naar de stad. Voor mijn gezondheid was het prima zo’n ritje van elf kilometer heen en elf kilometer terug – twaalf als ik terug de toeristische route langs de Rotte zou nemen –, voor de inkomsten van de RET was het slecht. De laatste keer dat ik in het centrum was, was bijna zeven weken geleden. Toen reisde ik met de metro en bezocht ik de kapper en de boekhandel.

Ik was nog geen twee minuten aan het peddelen en net voorbij de Martin Luther King basisschool toen A vanaf de andere kant aangefietst kwam. Ik ken A van de bazaar. Hij stond altijd bij de schoenen tot hij in een verpleeghuis ging werken. In zijn geboorteland was hij landbouwkundige, in Nederland was hij nu bijna vijf jaar. Die enkele keer dat ik ook op de bazaar werkte, lunchten we samen en dan sprak hij over saffraan, dat in zijn land veelvuldig geteeld werd tot de oorlog alles kapot maakte. Waarom teelde Nederland geen saffraan, vroeg hij zich af. Saffraan is het supergoud onder de specerijen. Ik vroeg hem hoe de teelt in zijn werk ging. Hij legde uit. ‘Misschien,’ zei ik, ‘is saffraan voor Nederland veel te arbeidsintensief en daardoor veel te duur.’

We knepen allebei in de remmen. Hoe gaat het? Hoe gaat het? Hij was heel ziek geweest, heel erg ziek, dit was zijn tweede dag buiten. Corona? Ja, corona. ‘In het verpleeghuis,’ zei hij, ‘was niemand van de bewoners ziek, alleen drie medewerkers op één afdeling, twee anderen en ik.’ Hij was ervan overtuigd dat hij thuis had kunnen uitzieken omdat hij verder gezond was, gezond leefde, altijd alles op de fiets deed. Ik zag dat hij was afgevallen en hij was al niet dik. 58 is hij, het is dat ik het weet, anders zou ik zeggen: 50.

Was hij nog aan het werk? Zijn gezicht betrok. Hij had zeven maanden gewerkt en nu was zijn contract niet verlengd. ‘Het draait om geld,’ zei hij. Ik kende de constructies. Je deed nobel door iemand met een uitkering een tijdelijk contract te geven waarbij de gemeente een half jaar lang alle risico’s voor haar rekening nam, en na dat halve jaar bonjourde je zo iemand weer terug de uitkering in.

We namen afscheid, ik fietste door naar het niemandsland aan het einde van de wijk. Het talud van het megalomane snelwegdoortrekproject – erfenis van die 130 kilometer-minister – was al bijna klaar. Hier zou de snelweg dus over onze hoofden gaan razen om dan verderop onder het water te duiken om weer boven te komen in een stuk bos, dat al geen bos meer was, er waren duizenden en duizenden bomen gekapt, niet alleen in het bos, ook hier. Ondanks alle ellende was die bouw van dat viaduct een vernuftig staaltje stapelen van enorme bigbags vol zand die laag voor laag werden ingepakt in onscheurbaar zwart doek om daarbovenop, ietsje naar achteren, weer een nieuwe rij bigbags te plaatsen enzoverder. Onderaan was een roestige damwand de grond in geslagen om alle druk te weerstaan.

Verder ging ik, onder een andere snelweg door, onder het spoor door, langs het postsorteercentrum waar je tot negen uur ‘s avonds je kaartjes op de bus kunt doen, dan een scherpe bocht naar rechts en langs de rand van het Kralingse Bos, eigenlijk langs een drukke randweg, maar nu viel het reuze mee met de auto’s en fietste ik door een eindeloze groene kathedraal van struiken en bomen naast me en de uitbundige groene kronen boven me die de zon zachtjes filterden tot de bomen plaatsmaakten voor een kanaal, stoplichten, huizenblokken, de stad, dat wat ik de stad noem.

Ik kneep in mijn remmen, zette een voet aan de grond, wachtte voor het rode licht. Naast mij stopte een zwarte rouwauto met daarachter een zwarte verlengde Mercedes, drie deuren links, drie deuren rechts. Geen vlaggetjes of rouwlinten. Leeg. Op de chauffeurs na.