Nog meer bos

We verlaten het studentendorp en rijden noordoostwaarts. Halverwege slaan we af van de doorgaande weg en parkeren bij een station. Er is een parkeergarage met automatisch hek waarvoor je niks hoeft te betalen.

Het wordt vandaag net zo heet als gisteren, maar op het kaartje zie ik veel donkergroen. De bossen waardoorheen we zullen wandelen vormen de oostelijke zoom van de Veluwe, hebben namen als Onzalige bossen en behoorden vroeger tot de jachtdomeinen van de prinsen van Oranje. Daar zullen de bomen hoog en oud zijn. Halverwege de wandeling kleurt de kaart roze, daar ligt de heide van de Posbank en de Zijpenberg, Frank van www.frankwandelt.nl vindt de Posbank met afstand de mooiste hei van Nederland. Daar zal de zon ongenadig boven ons staan, maar met een aangename wind zal ook dat te doen zijn. Daarna volgen weer dichte bossen waar we langs mooie sprengetjes zullen lopen door het dal van een beek. O ja, en dat Frank deze wandeling een 9,5 geeft, heeft vast en zeker ook te maken met de heuvels, kuitenbijters, opgestuwd door gletsjers in de voorlaatste ijstijd, het hoogste punt ligt 110 meter boven NAP.

Maar ach, wat geeft het. Aan het eind van al die wonderschone paden zal een gekoelde bus ons in een kwartier terugbrengen naar de auto, waarna de auto ons in nog een kwartiertje naar B&B Bij Corrie zal vervoeren, waar Corrie ons met een ijskoud drankje allerhartelijkst zal ontvangen in haar bloemenpracht en prachtig gerestaureerde kolenvoorraadschuur van de voormalige bodewoning naast het voormalige gemeentehuis. Aan een houten tafel met onze voeten op oude vloermoppen die Corrie en haar man Piet met de hand hebben schoon gebikt zullen de paradijzen van deze dag samenvloeien. Het zal nog steeds warm zijn.

Groene wissel

Ondanks de warmte die het kwik vanmiddag weer hoog in de dertig zal doen oplopen, gaan we vandaag op pad. We rijden tien minuten en parkeren bij een klein station. Daar begint en eindigt de wandeling. In de rating van www.frankwandelt.nl krijgt de tocht een 8,7. Ik vaar deze vakantie op FrankWandelt en zijn ratings. Zijn top tien in deze groene provincie is ons kompas. De beschrijving voor vandaag belooft een romantisch parklandschap met een al even romantische naam De Hemelse Berg, uiterwaarden, bosrijke, statige landgoederen, bossen, vijvers en beken op weer een ander landgoed, een wandeling door de Groene Bedstee, een ruim driehonderd meter lang pad in een dikke haag, en als toetje een uiterst verstild missionarisbos mét abdij.

Na zeventien kilometer kunnen we zeggen dat Frank niets te veel heeft beloofd.

Kersen, Thais

De B&B-mevrouw is er geen van de klassieke school. We kunnen gaan en komen wanneer we willen, het ontbijt zet ze ‘s avonds heel laat in de koelkast en op een blad voor ons neer op het dressoir op de overloop. Koffie en thee kunnen we op de zolderkamer zetten. Er zijn vanochtend kersen, die heeft ze gewassen, er staat nog een beetje nat onderin het bakje, een paar kersen zijn rot. Het is niet slim om zulk fruit een nacht buiten de koelkast te laten.

We doen vandaag rustig aan, een wandeling door het stadje/dorp, wat winkels bekijken, een terrasje, op het einde van de middag naar het nabijgelegen kasteel waar we een tijdslot voor hebben gereserveerd. In de bebouwde omgeving is het nauwelijks te doen, 34 graden in de schaduw, we bewegen ons in slow motion. Je kunt beter twintig kilometer door een natuurlijke omgeving wandelen dan slenteren over geplaveide straten en tussen opgewarmde gebouwen.

Terug in de B&B ga ik even liggen. Ik vraag R om een paracetamol. Vijf minuten nadat ik die geslikt heb, verplaats ik me naar de badkamer. Waar zal het eruit gaan komen? Boven dus. Ik zie de aardbeiensmoothie van het terras voorbijkomen, de kersen van vanochtend, de kwark, de thee, het broodje met kaas, het water. Wat kan er toch een hoop in de maag. Ik ga weer even liggen. Volgens R zijn het de kersen, het gistende nat dat met de ogenschijnlijk goede kersen mijn maag in is gegaan en daar verder is gaan rotten. Hoe lang is het rijden naar het kasteel? vraag ik. Ik wacht nog even, sta dan op. Het leed is weggespoeld.

In het kasteel is het aangenaam koel en mooi. ‘s Avonds eten we uitstekend Thais bij My Asia, een van de tips van de B&B-eigenaresse. Ik heb flinke trek. Als we na een paar kleine gerechtjes aarzelen wat we nu eens zullen nemen, stelt de mevrouw die de scepter zwaait voor drie mooie hoofdgerechtjes voor ons te maken. Over de gehakte ossenhaas zegt ze: ‘Thaiser kun je het niet krijgen.’

Uiterwaarden, berg, bos, weilanden

De zolderkamer in de B&B koelt nauwelijks af. De eigenaresse heeft ons een tweede ventilator gegeven. Buiten loopt het kwik ‘s ochtends snel op. Toch gaan we op pad. Onze vakantie heet niet voor niets een wandelvakantie. We moeten anderhalve kilometer lopen om bij de haven en het begin van de uiterwaarden te komen. Je kunt ook hier zo de uiterwaarden inlopen, had de B&B-mevrouw gezegd, terwijl ze mijn kaartje bekeek. Maar daar begint de wandeling, zei ik.

Als we bij de haven aankomen, loopt het water al over onze ruggen. In een bocht van het smalle pad door de uiterwaarden staan onder wat spaarzaam struikgewas vijf, zes paarden: hun vachten bruin, gespikkeld, beige, zwart. Even later lopen we langs de rivier, daar staan koeien met hun voeten in het water. Links van ons in de verte weer paarden, niet dezelfde als die onder de struiken stonden. Ze zijn op weg naar de koeien, naar het water. De paarden en de koeien zien er anders uit dan die je in een stallen of maneges ziet. Na de uiterwaarden volgt een klim. We wandelen door een botanische tuin, de rivier ligt nu ver onder ons, dan volgt het bos. In het bos is het aangenaam. Weer verderop volgen we een beek, geen natuurlijke, maar een door mensen gegraven waterloop. Het water is in geen velden of wegen te zien. De enorme fabriek die verderop langs de rivier staat heeft met deze beek te maken: van het heldere bronwater kon heel mooi wit papier gemaakt worden. Na de oorlog werd er vooral krantenpapier gemaakt, na veel verliezen, dreigende sluitingen en overnames draait het nu om papierrecycling en grondstoffen voor karton en verpakkingen.

Langs de beek zonder water staan gelukkig veel bomen. Op een kruispunt overleggen we: we kunnen verder door het bos, of de geplande route volgen, maar daar zullen open stukken zijn, akkers, weilanden, ik laat R het lichtgroen op de kaart zien, daar waar we het donkergroen van de bossen verlaten.

We houden ons aan ons plan, zegt R. We gaan verder. Weet je nog die keer, zeg ik, dat we het Balloërveld moesten oversteken bij 38 graden, een zandwoestijn, en dat we uiteindelijk in Hellendoorn een supermarkt in vluchtten om af te koelen? Zo erg is het nu nog lang niet. Wel bij iedere stap het besef hoe ongelooflijk belangrijk bomen zijn, en een natuurlijke ondergrond. Stap je van een bospad het asfalt op, dan stap je een braadpan in.

In het dorp waar de route eindigt, lopen we naar de bushalte. Ja hoor, zegt R, hebben wij weer. Aan de kant van de weg waar wij op de bus moeten wachten is geen centimeter schaduw, terwijl verderop aan de overzijde de bushalte wordt overschaduwd door grote boomkronen. R doet alvast zijn mondkapje op. Alleen in de smalle ruimte tussen een stenen tuinmuurtje en de achterkant van het bushokje kan de zon niet komen. Daar wachten we. De bus is één minuut te laat. Via de achterdeuren stappen we in. In de bus is het koel en rustig. Binnen twintig minuten zijn we terug waar we zes uur geleden begonnen.

Wageningen

De stad oogt jong. Dat komt door de verhoudingen: de stad heeft de grootte van een dorp met daarbinnen een grote universiteit die veel jong volk trekt, zowel studenten als onderzoekers en docenten. Het komt ook doordat ik het niet meer gewend ben. In mijn wijk en in mijn winkelcentrum tel ik minstens tien rollators en scootmobielen op één kinderwagen. Op andere plekken is het niet veel anders. Kwestie van demografie.

De stad klinkt ook internationaal: de jonge mensen spreken Italiaans, Spaans, Engels, Portugees, Duits. Ze zijn overwegend lang, slank, meer mannen dan vrouwen, gezond ook, weinig rokers, nergens een coffeeshop, ze zijn lopend of fietsend samen op weg met een tas van een supermarkt en rugzakken om ergens te gaan zwemmen misschien, of samen in een park of langs de rivier te gaan eten. Veel fietsen, veel ruimte voor de fietser ook, de auto is te gast, een grote boekhandel, meer dan één biologische winkel. Deze jonge mensen zijn hier om de wereld te verbeteren, de grond, het water, het voedsel, de lucht, de internationale samenwerking, je ziet het op hun gezichten, ze hebben hoop, zin om hun hersens ten goede te gebruiken.

Met een van de beste restaurantmedewerkers die we deze weken zullen treffen deel ik mijn observaties en dat ik het zo’n verademing vind: zoveel jonge, gezonde, hoopvolle mensen bij elkaar. Er zijn er nu juist weinig, zegt ze. Door het virus zijn de meeste buitenlandse studenten en medewerkers teruggekeerd naar huis, teruggeroepen door hun ambassades. En veel Nederlandse studenten hebben, nu ze weten dat de online lessen nog zeker tot december doorgaan, hun kamers opgezegd en studeren weer op hun tienerkamers bij hun ouders. Zelf heeft ze het ook gedaan. Geld uitsparen, zegt ze, dat doet iedereen, ook als je voor een half jaar naar het buitenland gaat, zeg je je kamer op. En de zuiderlingen roken nog veel, zegt ze, met name de Italianen.

Stel je was weer achttien, zegt R, wat zou je dan gaan doen? Goeie vraag. Misschien zou ik dan wel hier gaan studeren.

Franse Berg

We stonden op de Franse Berg. Ik vermoed dat alleen Nederlanders iets dat 56 meter boven NAP ligt een berg noemen. Op een bordje las ik dat het ooit een stuifduin was en dat Franse troepen hier tijdens de Franse bezetting een uitkijkpost hadden. Het bordje doelt op de Napoleontische of Frans-Bataafse periode die, opnieuw volgens het bordje, begon in 1792 en eindigde in 1813. Ik heb andere jaartallen in mijn hoofd voor het begin, 1794, 1795. Als ik het nakijk, ontdek ik dat de Fransen hier eerder zijn geweest, in het rampjaar 1672 toen de Hollandse Oorlog begon en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen, ook toen zouden Franse troepen het stuifduin als uitkijkpost hebben gebruikt. Nu, in de zomer dat Nederlanders zich vooral zorgen maken of ze wel naar hun geliefde Frankrijk kunnen afreizen zoals ze dat alle vorige zomers ook deden, stond er op de berg vooral hakhout wat voor aangename schaduw zorgde.

Aan de voet van deze berg had een museum moeten komen om ruimte te bieden aan de ruim 800 schilderijen, 275 beelden en 5000 tekeningen die Helene Müller in nog geen twintig jaar had aangekocht met het geld dat was verdiend in het bedrijf van haar vader en waar haar man Anton Kröller al jong de leiding kreeg na de dood van Helenes vader. Toen we van de berg afdaalden zagen we iets verderop de restanten van dat gedroomde museum: betonnen keermuren voor terrassen, een toegangspoort, zandstenen uit Maulborn her en der in het landschap. Maar het museum kwam er niet. Een economische crisis bracht de firma Müller & Co in zulk zwaar weer dat de bouw in 1922 gestaakt moest worden. In 1935 moest het echtpaar ook hun Veluwse bezittingen verkopen: het park kwam met overheidssteun in handen van een speciaal daarvoor opgerichte stichting Het Nationale Park De Hoge Veluwe. De kunstcollectie werd aan de staat geschonken die in ruil beloofde zo snel mogelijk een museum te bouwen om de collectie ten toon te stellen. Dat kwam er, in 1938. Alhoewel bedoeld als tijdelijk staat het er nog.

Op onze wandeling kruisten we regelmatig fietspaden. Op de witte fietsen geen Japanners, geen Chinezen, geen Koreanen, Nederlanders vooral, af en toe een Duits of Frans gezin.

Restaurantetiquette

In het eerste restaurant hebben we twee keer zoveel tafel als anders. Die tweede tafel gebruiken de obers om onze drankjes en onze borden op te zetten. Ze zeggen met een dik servet tussen hun hand en het bord: pas op, de borden zijn heel heet en dan kijk ik naar dat bord in de hoop dat het vanzelf een sprongetje maakt van de tweede tafel naar waar mijn mes en vork klaar liggen.

In het tweede restaurant wordt alles voor ons ingezet en uitgehaald volgens de regels van de hotelschool, geen ingewikkelde capriolen.

In het derde restaurant draagt het personeel mondkapjes.