Bitekuteku

In het groentekrat van Landzicht deze week bloemkool, komkommer, andijvie, zoete aardappelen, champignons en kiemen. Voor vanavond koos ik de frisgroene andijvie. In Trouw stond ooit een simpel recept met andijvie. Ik had het uitgescheurd en bewaard, het heet bitekuteku, een prachtige naam die ik gek genoeg nog nooit had opgezocht. Nu dus maar. Het bleek de Congolese naam voor een aan spinazie en andijvie verwante bladgroente die bij ons amarant heet. Toen ik de plaatjes zag ontdekte ik dat bitekuteku gewoon in onze voortuin staat, die sierlijke plant met zijn krachtige omhoog rijzende wijnrode pluimen die er vorig jaar opeens was en dit jaar opnieuw is opgekomen. Zonder het te weten had ik net als de buurman rechts groente in mijn voortuin, iets wat volgens de buurvrouw links officieel niet mag.

Maar met andijvie kon dit gerecht dus ook. Ik sneed de andijvie in smalle reepjes, waste ze en deed ze in een vergiet. In wat zonnebloemolie fruitte ik zachtjes een ui, na vijf minuten deed ik er een half blik fijngesneden gepelde tomaten bij en legde het deksel op de pan. Ik deed een potje linzen in een vergiet, wachtte tien minuten, tilde toen het deksel van de pan, deed er een half blikje tomatenpuree bij, roerde goed en legde het deksel weer terug. Opnieuw wachtte ik een poosje, lepelde toen twee eetlepels pindakaas (die van 100 procent pinda’s en niks anders) bij het tomatenmengsel en liet het nog even pruttelen. Vervolgens haalde ik het deksel eraf en voegde de fijngesneden andijvie bij de prut. Ik draaide de knop naar negen, roerde flink en liet de andijvie slinken. Daarna deed ik de linzen erbij en roerde opnieuw. Die linzen stonden trouwens niet in het recept, da’s mijn eigen toevoeging. Tot slot nog wat peper en zout, klaar.

Niet vergeten morgen eens verder te kijken dan die sierlijke pluimen en een amarantblaadje te plukken en proeven.

Even trainen

Ik liep langs de coffeeshop waar jonge mensen met rolkoffertjes op de stoep stonden te wachten tot de lange man voor de poortjes tijd had om hun identiteitskaarten te controleren. Het was kwart voor een. Iets verderop passeerde ik een blonde vrouw in een legergroene gewatteerde jas die in haar telefoon verzuchtte: ‘Ze is getrouwd met een lieve jongen, maar daarmee is ook alles over hem gezegd.’ Weer iets verder sloeg ik linksaf, ging een zijstraat in en net voor een volgende zijstraat drukte ik op de bel naast de paarse deur. Binnen en een etage hoger drukte mijn buig- en strekjuf op een knop, ik hoorde een zoemend geluid en de deur sprong open. Ik dacht aan wat mijn nichtje gisteren zei over haar werk in een huis vol verstandelijk en soms ook lichamelijk gehandicapte mensen: dat daar tussen half elf ‘s avonds en zeven uur ‘s ochtends niemand is, behalve de bewoners in hun kamers achter gesloten deuren die alleen met een sleutel van buitenaf te openen zijn. Volgens mijn nichtje zat er in die deuren geen elektronica die die deuren bij brand ontgrendelden. Ik trainde vandaag met M die normaal het uur voor mij traint samen met haar veel oudere man, maar die was er vandaag niet. De trainer had ons in de app een ‘spicy duet’ beloofd en ik voelde van alles toen ik een uur later de paarse deur achter me dichttrok. Ik sloeg rechtsaf en liep over het enorme plein dat ook een schoolplein is van een schoolvereniging waar iedereen die het zich kan veroorloven zijn kinderen wel op wil hebben vanwege het grote aanbod aan muziek en toneel en sport en kunst en waarschijnlijk ook vanwege de potentiële vriendjes en vriendinnetjes die ook allemaal ouders hebben die zich deze school konden veroorloven. Ik stak een straat over en wandelde langs het oogziekenhuis waar de mannen en vrouwen van de parkeerservice sinds kort een parasol hebben met daaronder een kleine desk waarop vier Dopper-flessen stonden en een bord met ‘Hier niet roken’ erop. Er werd veel gerookt voor het oogziekenhuis. Iets verderop stonden twee mensen naast een auto met geopend portier te roken. Ook de rokers wilden de ellende niet meer in hun auto. Langs de werkzaamheden voor het Maritiem Museum, rondom het pand van Donner en op de Coolsingel liep ik naar mijn kapsters. Hadden ze tijd om even mijn contouren bij te knippen? Mijn vaste kapster Manuela zegt het na iedere knipbeurt: ‘Je mag over twee, drie weken altijd even langskomen om de contouren te laten doen.’ Vanity had tijd, ze gaf me zelfs thee, ik koos muntthee. Toen ik het zakje uit het plastic haalde zag ik dat het zo’n plastic theezakje was, maar ik ging de goede zorgen van Vanity niet de grond in boren door over microplastics te beginnen en hing het zakje in het hete water. Vanity wist al vroeg dat ze kapster wilde worden, dit snijden wat ze nu bij mij deed vond ze heerlijk om te doen. Nog altijd verkwikt van de spicy training en met iets minder haar liep ik terug naar de metro. Voor ik verder las in Oek de Jongs Cirkel in het gras, eigenlijk herlas, zocht ik nog even op mijn telefoon. Volgens Canadees onderzoek naar plastic theezakjes had ik nu 11,6 miljard microplastics en 3,1 miljard nanoplastics extra in mijn lijf. In Cirkel in het gras, dat zich afspeelt in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw, maken de personages zich nog geen zorgen over plastic, wel over vette puddingbroodjes en over de Rode Brigades, de Italiaanse terreurbeweging die de Italiaanse politicus Aldo Moro ontvoert en vermoordt. De personages noemen terrorisme een ziekte. Ook verliefd zijn noemen ze een ziekte waarvan de genezing volgens hen meer pijn doet dan de ziekte zelf. Zo had iedere tijd zijn door mensenhanden gecreëerde kwalen al leek die laatste me tijdloos.

Thermostaat

Ik had de indruk dat de temperatuur in huis vannacht onder de 18 graden was gekomen en de verwarming was aangeslagen. De radiator in de badkamer die uit een stuk of acht mooie horizontale buizen bestaat, voelde niet warm maar zeker ook niet koud aan. Ik waste me, kleedde me zachtjes aan – R sliep nog en lag diep onder het dekbed – en liep naar beneden. In de keuken pakte ik de kleine steelpan, een dessertlepel en de glazen pot met havermoutvlokken. Ik deed drie schepjes havermout in de steelpan, liep naar de koelkast, pakte het melkpak, goot melk bij de havermout, roerde en draaide de knop van de keramische plaat op zes. In de waterkoker deed ik een klein beetje water en zette de koker aan. Toen liep ik nog verder naar beneden en haalde de krant die alleen op zaterdag in papieren vorm komt van de vloer naast de deurmat. Weer terug in de keuken pakte ik uit de la met borden een schaaltje en uit de koelkast de bak met druiven uit eigen tuin. Ik deed het schaaltje bijna vol met druiven en wachtte tot de havermout gaar was. Met een kop thee, het schaaltje met druiven en havermout en de krant ontbeet ik. Om tien voor tien liep ik zachtjes naar boven, gaf slapende R een kus en liep weer naar beneden. Het was echt kil in huis, de thermostaat gaf 17,8 aan. Ik opende het klepje van de thermostaat, draaide het wieltje voor de eerste keer na de lange zomer op de dagstand en drukte met de pijltjes de temperatuur naar 18,5. Toen ging ik naar buiten voor mijn tweewekelijkse vrijwilligersklusje op zaterdagochtend.

Wormenhotel (5)

Buiten geselde de regen het slaapkamerraam, de bomen, de planten, de aarde, het terras en dus ook het deksel van het wormenhotel. Omdat ik niet meer kon slapen en me begon af te vragen welke temperaturen compostwormen eigenlijk verdragen, surfte ik wat op mijn telefoon. Ik vond een Vlaamse folder van maar liefst 35 pagina’s waarin regelmatig het woord ‘nefast’ viel. Veel dingen waren nefast: kou, hitte, water, overvoeren. Dat laatste was een veel voorkomende beginnersfout: te snel te veel groente- en fruitafval aan de wormencompost toevoegen. Ik had het ook gedaan en zelfs al een vierde emmer aan de wormentoren toegevoegd toen de derde weliswaar vol, maar het afval nog lang niet verwerkt was.

Onder de tien graden verloren wormen hun beweeglijkheid, aldus de brochure, dan deden ze niks meer: niet eten, niet voortplanten. Ik checkte de weerapp: overdag kwam de temperatuur niet meer boven de dertien, veertien graden, ‘s nachts dook die naar acht. Bij die temperatuur gingen ze niet gelijk dood – dat deden ze pas onder de 0 en boven de 30 graden, en dan was er ook nog het hart van de compost en het afval waar ze bij kou als vanzelf naartoe kropen –, maar mijn wormenhotel was klein, de rundvleessalade-emmers van de groentevrienden niet enorm in diameter, dus zou de kou niet veel tijd nodig hebben om door te dringen. De beste temperatuur was tussen de 15 en 25 graden.

Ik wist wat me te doen stond: straks als het licht was en tijd om op te staan zou ik de composteerfabriek binnenhalen.

Maar eerst las ik nog veel fascinerends, bijvoorbeeld dat wormen tien harten hebben. Misschien hoort iedereen die de middelbare school doorlopen heeft dit te weten, maar tussen mij en biologie is het misgegaan in dat jaar dat tweederde van de biologielessen uitviel door een zieke docent voor wie geen vervanging werd gevonden. We hebben het hier over begin jaren tachtig van de vorige eeuw. Ik leerde dat de worm erg compleet is uitgerust met zowel eierstokken als zaadblaasjes al heeft ie voor de bevruchting nog wel een andere worm nodig. Dat gaat zo. Twee wormen wrijven hun bovenlijven tegen elkaar; daarbij wordt veel slijm aangemaakt dat een koker om de twee wormen vormt en waarbinnen het zaad van de ene naar de andere worm vloeit en vice versa. Daarna gaan ze ieder hun eigen weg. Tegen de tijd dat de worm een eitje wil afzetten, vormt zich weer veel slijm, nu alleen om die ene worm. Daarbinnen komen een eitje en wat van het bewaarde zaad van de andere worm bij elkaar, vervolgens stroopt de worm de gevulde slijmkoker af, waarna het drie weken tot een paar maanden kan duren voor er een jong wormpje uit kruipt. Dat ging, als ik niet nog meer beginnersfouten maakte, in mijn compostwormenhotel ook allemaal gebeuren.

‘Waar ga je die emmers zetten?’ vroeg R toen de ochtend was aangebroken en ik hem van mijn plan vertelde. ‘Tussen de fietsen,’ zei ik.

Herfstklaar

Met de witte druif was het dit jaar niet lekker gelopen. Er verscheen al vroeg iets in dat ik nu meeldauw zou noemen. Niet alleen op het blad zat zo’n wit dof laagje, ook de nog jonge druiven verloren hun glans, verschrompelden of kregen bruine sproetjes. De druiven die de dans wisten te ontspringen waren trouwens super lekker, zoet, sappig, zachte schil, maar het waren er maar een paar per tros. Rondom de trossen hing inmiddels een gistende alcohollucht als was dit een uitgaansstraat zonder sluitingstijden. Insecten waren nog altijd druk bezig met gaatjes boren, het lekkers op te eten en een uitgeholde bruine schil achter te laten, zoals kleuters broodkorsten.

De blauwe druif die er pal naast staat, had nergens last van en boog onder mooie trossen met stevige druiven. Anders dan vorig jaar was ik deze zomer niet bezig geweest met het verwijderen van de kleinste vruchtjes om de grotere meer ruimte te geven. Ik knipte de trossen los en legde ze in een emmer, twee kleine trosjes liet ik hangen voor de insecten en de vogels. Ik nam de oogst mee naar binnen, zette een grote teil in de gootsteen, deed de kraan open en legde de trossen goed onder water. Spinnetjes, oorwurmen, slakjes en andere levende have komen dan vanzelf bovendrijven. Ik vroeg me af hoe professionele druiventelers dat doen.

Om helemaal zeker te zijn, ritste ik de druiven voorzichtig van de takjes en waste ze nog een keer. De stevige druiven legde ik in een vergiet, zachte of opengescheurde druiven gingen naar het groenafval, regelmatig stak ik er eentje in mijn mond. Daarna spreidde ik een schone theedoek uit op het aanrecht en liet de druiven vanuit het vergiet op de theedoek rollen. Toen de theedoek bijna helemaal bedekt was met druiven, pakte ik een tweede theedoek en legde die er bovenop. Drooggedept deed ik de druiven over in een grote voorraadbak. Ik herhaalde de laatste handelingen tot alle druiven enigszins droog in de bak zaten. Ruim twee kilo.

Voor fruit hoefde ik voorlopig niet naar de groentevrienden.

Maffia

Sinds een jaar blaas ik altsax in Global Warning, een tienkoppige muziekformatie onder leiding van Remko de Landmeter met op het repertoire Argentijnse en klezmer tango’s, Braziliaanse liefdesmelancholie, smachtende Arabische poëzie, jiddische blues, bolero’s en ander moois van ver weg en van ver terug in de vorige eeuw. Ook de titelmuziek van The Godfather spelen we, die iconische film uit 1972 over een New Yorkse maffiafamilie die begint met een wals op de bruiloft van de dochter van Don Corleone. Het is aan onze basklarinettist met haar solo in de eerste zestien maten om de onheilspellende sfeer neer te zetten, want al is een bruiloft ook in maffiakringen een feestelijke gebeurtenis, de ellende ligt altijd op de loer. De mineurnoten die we afwisselend aanblazen in de aanzwellende wals voorschaduwen het naderende verraad, het geweld en het bloed dat rijkelijker zal vloeien dan tranen. Daarom maant Remko ons altijd om zacht en vooral niet te snel te beginnen. Gisteren in Nieuwsuur zat The Godfather Waltz onder de reportage over de inval van de rijksrecherche bij twee Haagse wethouders die verdacht worden van corruptie; zachtjes, maar voor de goede verstaander prima hoorbaar.

In de straat

De buurman riep: ‘Heb je tegenwoordig een eigen chauffeur?’ Ik stond op van achter mijn bureau en keek naar buiten. Beneden in een van de parkeervakken zag ik de buurman met de kaasboer bij de geopende achterdeuren van de maisgele kaasbestelauto. De buurman is eergisteren 83 geworden en hardhorend, als hij enthousiast praat hoor je hem door de muren heen. De kaasboer droeg een witte jas, van achter het stuur kwam een oudere man in een zwarte jas. De kaasboer is bij ons ook wel eens aan de deur geweest, toen bestuurde hij die gele auto nog gewoon zelf, maar we eten te weinig kaas. De buurman kletste wat met de mannen en kocht een groot stuk kaas, hij liep ermee naar zijn huis.

De kaasboer stak de straat over naar onze overburen van in de negentig. Zelf leek hij me ook niet meer de jongste. Hij liep een beetje zoals onze overbuurman, met een licht gedraaide, naar voren hellende rug, waardoor het lijkt alsof het lijf de hele tijd zijn best doet om het vooruitgestoken hoofd bij te houden; al was het bij de kaasboer lang niet zo erg als bij onze overbuurman die zijn hoofd voortdurend moet oprichten wil hij iets meer zien dan stoeptegels of vloerbedekking.

De buurman en de overburen zijn de enige twee klanten bij wie de kaasboer nog aanbelt.

Ik was benieuwd of er open werd gedaan, en zo ja, door wie. Toen we zaterdagavond terugkwamen van de jubileumoogsttafel van de telers van ons groenteabonnement stond er een ambulance voor hun huis. De voordeur stond open en de buurman lag op de brancard die net over de drempel werd getild. ‘Och jee,’ zeiden we allebei. Terwijl R inparkeerde, bekeek ik de buurman op de brancard. Ondanks zijn verdraaide rugwervels en zijn hoge leeftijd is het nog altijd een hele lange man. Ik zag zijn mond bewegen en ook zijn hoofd. ‘Hij praat nog,’ zei ik. Nadat hij in de ambulance was geschoven liep ik naar de overbuurvrouw die gearmd met haar directe buurvrouw in de deuropening stond. Hij was gevallen, zei ze, had pijn aan zijn schouder, maar ze dacht dat het wel meeviel. Zo onderkoeld als ze vertelde, zo geschrokken en aangedaan was haar gezicht. Verdraag je zulke schokken nog als je zo oud bent? We hadden hem niet terug zien komen.

De deur ging open. Ik zag een grijze kruin op een hoogte die alleen bij de overbuurman kon horen. Even later stapte hij iets naar voren en zag ik ook zijn wijnrode trui. Hij was weer thuis.