183 x 65 en 80

In de afgelopen warme septembermaand kampeerde ik twee keer, vier nachten in totaal. Ik zette een tent op, kookte water op een gasbrandertje, las boeken bij het licht van een hoofdzaklamp, trok er overdag te voet op uit, luisterde ’s nachts naar uilen, wendde aan het slapen op een matje en aan het slapen in een slaapzak, wendde aan alle geluiden en gaf mijn ogen de kost om de kampeerkunst van die andere eenlingen te voet of op de fiets af te kijken.

Alles wat ik nodig had, had ik kunnen lenen: van een vriendin een tent, matjes, een brander, pannen, een windvanger, waterzak, borden; van mijn buurman tips over de mooiste natuurcampings, een breder matje, een compacter brandertje met rvs-mok, een stoeltje. Ik ontdekte dat mijn opgetrokken knie en mijn arm voortdurend naast het matje van 51 centimeter vielen, maar dat bij een breedte van 65 centimeter alles binnenboord bleef; en dat een slaapzak ter hoogte van mijn opgetrokken knie minstens tachtig centimeter breed moet zijn.

Ik deelde mijn prille kampeerervaringen met een vijftien jaar jongere vriend – type actieve buitensporter, dagen raften op een woeste rivier, weken backpacken door Zuid-Amerika, dat werk. ‘De meeste mensen houden er op jouw leeftijd mee op, met dat gekruip in en uit zo’n tent en dat slapen op de grond,’ lachte hij.

Nu regent het veel en de temperatuur is gezakt en ervaren kampeerders vertellen mij dat het met regen niet leuk is om te kamperen. Maar ik ben niet vergeten dat nog geen jaar geleden, tijdens de jaarwisseling, mensen in Limburg op terrasjes zaten. Meer dan een paar droge dagen heb ik niet nodig en die kunnen dus ook in december opduiken, of in januari, of misschien zelfs al in november.

Daarom grasduin ik, terwijl het buiten regent, in die nieuwe wereld van matjes en slaapzakken, maten en gewichten. Ik zou willen selecteren op breedte, maar dat kan nauwelijks. En ook in outdoorwinkels moeten ze even nadenken als ik erom vraag, ja, grote mensen willen vaak een bredere slaapmat en slaapzak, maar die willen ook langer. Als ze me eenmaal in mijn favoriete houding zien liggen op een matje op een met keien bezaaide ondergrond, snappen ze het, gaan ze zoeken en ontdekken ze dat er best merken zijn die kort en breed – 183 bij 65 centimeter – combineren, al hebben ze die dan niet altijd op voorraad, laat staan opgeblazen als testmatje staan.

Tot nu toe zei iedereen dat met mijn slaaphouding mummyslaapzakken uitgesloten zijn, want te smal ter hoogte van mijn opgetrokken knie. Maar ik twijfel over een dekenmodel – die vraagt meer pakruimte, is zwaarder en heeft meer loze ruimte die ik bij koude warm moet zien te houden. Nu ontdek ik bij een befaamde outdoorzaak een merk dat een lichtgewicht mummymodel combineert met extra breedte zonder in de lengte XL te gaan.

Morgen op pad.

Licht, kleuren, ommetjes

De zomer drukte zijn warmte ver oktober in. Er was een herfstweek waarin R en ik op dinsdag nog buiten aten en drie dagen later de winterjas van de kapstok pakten. Nu de temperatuur flink gedaald is, keert mijn langgerekte buitenleven noodgedwongen naar binnen. Het meeste mis ik het licht. Daarom besluit ik de ommetjestraditie van de coronajaren weer op te pakken. Niet in de laatste plaats omdat ik dan lekker mijn nieuwe gele regenjas aan kan trekken.

Vandaag loop ik via het wilgenlaantje de Bessenwijk in en via een ander wilgenlaantje de wijk weer uit. Mijn vogelapp detecteert een goudhaan, gisteren in het Nessebos ook al, maar ik zie ‘m niet. Het is Europa’s kleinste vogel, lees ik, dus niet gek dat ik ‘m niet zie, maar ik lees ook dat ie in de trektijd zo met voedsel zoeken bezig is, dat ik ‘m bijna zou kunnen aanraken.

Net voor de kinderboerderij loop ik de rivierdijk op. Het blijft indrukwekkend. Rechts het hoge water van de Rotte, links de meters lager gelegen wijken vol huizen, flats, scholen, winkels, duizenden mensen die iedere nacht hun ogen sluiten. Ter hoogte van het Ommoordse Veld zweeft een roofvogel. Ik pak mijn verrekijker. De vogel zit nu op een paaltje, een stuk lager dan waar ik sta, maar nog altijd een stuk hoger dan het open veld waarover hij zijn blik laat gaat. Zijn rug is roodbruin met kleine donkere vlekjes, zijn kop grijs, zijn gele poten kort. Een torenvalk, leer ik nu ik achter mijn laptop zit, een mannetje. Het is een veldmuizenjager die op de rode lijst staat, aldus de Vogelbescherming, waarschijnlijk vanwege de snelle achteruitgang van het aantal veldmuizen die het niet goed doen op agrarisch grasland vol raaigras.

Er bloeit nog van alles. Dat kleine paarse bloempje naast het fietspad is bermooievaarsbek, leer ik als ik de foto door de Obsidentify-app haal. Op de dijkhelling her en der het paars van de gewone smeerwortel, die hoef ik niet meer op te zoeken, langs het voetpad bloeiende akkerdistel en paarse dovenetel. Verder veel geel: de lichtgele bloempjes op lange hoog opgaande stengels zijn van de toorts, de kleine gele bloemen zijn van het raapzaad, de fluwelen eierdooiergele hoofdjes zijn van het goudknopje – ze kwamen laatst in Vroege Vogels-tv langs en hier staan ze dus ook nog –, verder bloeien er nog boterbloemen, paardebloemen en kamille. Van die laatste zijn de witte lintbloemen vaak al weg en resteert alleen nog de gele bol.

Dan is er nog het wit van de witte dovenetelbloempjes en van de grote bloemschermen van het watertorkruid. Ik sta inmiddels lager dan het veld waarover de torenvalk speurde naar muizen, ik had nog nooit van watertorkruid gehoord, maar ze staan hier met hun voeten diep in het water, en zigzaggen breed uit, en nu ik achter de laptop over het kruid lees en mijn foto nog eens goed bestudeer, zie ik het pas: op ieder zigzagpunt staat aan de ene kant van de stengel een blad en aan de andere kant een steel met schermvormige bloeiwijze.

Lopen en kijken: het is als de zomer, maar dan met kaplaarzen en regenjas aan.

Luie tuinvrouw

R en ik bezochten de Luie Tuinman. We hadden net anderhalf uur door flinke regen gereden waarbij we de snelweg hadden vermeden. Het regende nog een beetje toen we het knusse winkeltje annex theecafé annex toegangshuisje tot de tuin binnenliepen. Een robuuste roestige houtkachel brandde. ‘HEET’ stond er op de kachel, er lag een stapeltje hout naast. Waren we de eerste tuinbezoekers vandaag? Ja, zei de mevrouw die het toegangsgeld inde, alleen twee koffiedrinkers waren ons voor geweest. Ik had een paraplu in mijn hand, R pakte een grote plu uit de regenton net buiten het huisje. Traag dwaalden we door vijfentwintig tuinen en tuintjes, onder platanen, rond vijvers, langs wit en grijs, langs twintig tinten blauw, door schaduwtuintjes, moerassige tuintjes, zonovergoten tuinen, dan weer met plu dan weer zonder, af en toe hinkstappend om plasjes te vermijden.

De Luie Tuinman was een tip van vriendin M, een uitstekende tip. Er lag een simpele visie aan de tuinen ten grondslag las ik op een bordje: ‘Kijk wat er mogelijk is en houd het simpel. Geen rozen wanneer je elk jaar weer roetdauw en luizen aantreft. Geen riddersporen die omwaaien en door slakken opgegeten worden. Er zijn genoeg leuke planten zonder problemen.’ De indeling van de tuin was ontleend aan eeuwenoude plattegronden van Egyptische tempels en Italiaanse villa’s en kerken: symmetrie met hoofdassen en zijassen en deuren waardoor je van de ene ruimte de andere binnenwandelt. Toen we uiteindelijk bij de kwekerij aankwamen was het helemaal droog en begon er zelfs een waterig zonnetje door te breken.

Aan een man die verdacht veel leek op schrijver-hovenier Gerbrand Bakker vroeg ik of hij planten had die goed zonder direct zonlicht konden en die zo’n anderhalve meter hoog werden. ‘Zullen we een rondje maken?’ zei hij. We liepen langs tafels met kratten vol opgekweekte planten terwijl hij hardop praatte en met officiële plantennamen strooide. ‘Deze niet, en deze ook niet, maar deze zou goed kunnen. En deze ook.’ Ik informeerde ondertussen naar de bloeikleur en of ze heel bossig werden. Ik koos voor de bergaster die blauw zou gaan bloeien met een geel hartje en voor een groenroodbruinbladerige duizendknoop: de persicaria microcephala. Op een schuurtje hing een bordje: ‘A garden is a thing of beauty and a job forever’.

Maar eerst gingen we iets drinken. De zon scheen inmiddels lekker en op het terras verschenen allemaal mensen alsof ze in droge holletjes hadden gewacht tot de regen zou stoppen. Temidden van talloze bloeiers en tientallen schakeringen rood, roze, paars, geel, oranje, blauw en groen dronken we thee. Als ik het voor het zeggen had zou ik iedere straat omlijsten met bloeiende perken. Toen de thee op was, liep ik terug naar de tuinman alias Gerbrand Bakker. Mocht ik een kratje lenen? Tuurlijk. Ik pakte vier asters en vond tussen de hoge bergasters een andersoortige plantje. ‘Ach,’ zei Gerbrand Bakker, ‘een nieuw-Engelse aster, die heeft in de verdrukking gestaan. Neem maar mee.’ Bij de duizendknopen hielp hij me om de mooiste uit te kiezen.

Ik heb de Luie Tuinman-planten net in de tuin gezet. Ze staan nu al mooi te wezen tussen alles wat dit jaar uitbundig groeit en bloeit terwijl ik nauwelijks meer hoef te doen dan af en toe een beetje rond te lopen, te genieten en de uitgebloeide bloemen weg te knippen. Volgend jaar zullen de koppen van de nieuwe planten boven de rand van het terras uitsteken: vanuit de keuken zal het asterblauw zich oprichten net voor het stevige roze van de fuchsia’s terwijl het roodbruine persicariablad zachtjes zal wiegen naast de dikke rode opstaande aren van die andere duizendknoop: de ‘Dikke Floskes’.

Boven de poort achterin de tuin zit een houten plank als extra versteviging om de twee palen waartussen de schuttingdeur hangt op hun plek te houden. Die plank vraagt al jaren om een tekst. Luie tuinvrouw. Zeker sinds de tegels eruit zijn, klopt dit echt.

De vraag is natuurlijk wel of een luie tuinvrouw nog aan de slag gaat met een soldeerbout.

Rozen

R zei: ‘Moet je niet eens wat over de rozen schrijven?’

Ik kijk diep de achtertuin in, de rozen staan in de tuin van de buurman, op een smalle strook grond ingeklemd tussen de gezamenlijke schutting en buurmans tuinchalet. Ze bloeien rijk, rood en vol, ieder jaar opnieuw. Het grondstrookje is nog geen twintig centimeter breed, zonlicht komt er niet, behalve dieren beroert of beloopt niemand de grond. Ik heb de buurman nooit met een snoeischaar in de buurt van de rozen gezien en het is zeker tien jaar geleden dat hij olifantenmest uit Blijdorp haalde en door zijn tuingrond mengde. Het is trouwens ook alweer twee maanden geleden dat hij thuis sliep. Het ging niet meer, vooral mentaal niet.

Maar afgelopen zondag op Pinksterdag was hij er, met een van zijn dochters, om het gras te maaien. Hij zal de rozen ook gezien hebben.

Het vierde moestuinseizoen

Op 5 april stopte ik de eerste moestuinzaadjes in de grond. Het ging om de plantjes die ik binnen moest voorzaaien, die de warmte van de vensterbank nodig hebben voor ze groot en sterk naar buiten kunnen. Ik zaaide kerstomaatjes die straks tot aan het balkonplafond zullen klimmen, basilicum, dropplant, balkontomaatjes die niet hoger worden dan een flinke struik, en afrikaantjes.

Vijf dagen later zaaide ik buiten paksoi, palmkool, radijs, koriander, rucola, Aziatische pluksla en snijbiet. Weer negen dagen later pakte ik de zaadjes van de peterselie en de peultjes; de eerste moesten een dagje weken in water, de tweede moesten een paar dagen tussen vochtig papier voorkiemen. De rucola, radijs, pluksla en paksoi staan al flink boven de grond, gisteren zag ik ook de eerste snijbiet.

De binnenplantjes staan in kleine potjes op grote rechthoekige plastic deksels op mijn werkkamer. Die deksels hebben een opstaande rand. Iedere dag draai ik de potjes een kwartslag, want de plantjes willen naar het licht en zo groeien ze niet krom. Iedere dag, soms zelfs tweemaal als de zon overvloedig schijnt, check ik met de bovenzijde van een gekromde vinger de vochtigheid van de grond en giet waar nodig water op die deksels.

Mijn plan was om op dit moment buiten de balkonplanken te schuren, maar er viel nog een flinke bui en ook al is het nu droog, de planken zijn nog nat. Daarom zit ik nu op mijn werkkamer dit stukje te typen. Hoelang ben ik al aan het moestuinieren? Ik tik een paar zoektermen in de zoekbalk van mijn website. Begin juni 2020 schreef ik over de plantjes die de tuinbaas met zoveel liefde en zorg op haar vensterbank had grootgebracht en waarvan ik er een paar had gekregen. Toen moest ik wel. Een forensisch arts zei onlangs in de Volkskrant-rubriek Sterveling dat in principe het toeval ons leven regeert, maar dat er cruciale personen kunnen zijn die je op een bepaald spoor zetten, waar je zonder hen niet was gekomen. Ja, denk ik, zo werkt het.

Nu pas zie ik dat de onderste twee blaadjes van de tomaten en de afrikaantjes sterk op elkaar lijken, lang en smal en glad gekant, daarboven beginnen pas de echte plantspecifieke blaadjes. Werkt het bij de basilicum en de dropplant ook zo? Hun eerste twee bladjes zijn een stuk kleiner, maar ook daar zijn het pas de volgende blaadjes die qua vorm duidelijk maken om welke planten het gaat.

In één potje staan trouwens twee dropplantzaailingen, in een ander potje is niks opgekomen. Volgens de instructies van Jelle van de Makkelijke Moestuin, bij wie ik de zaadjes en de moestuinaarde koop, moet ik in het ene potje radicaal en zonder aarzeling de kleinste zaailing wegknippen, en in het lege potje nog wat nieuwe zaadjes stoppen. Maar ik heb dit potje al bijna een maand vertroeteld en gekoesterd. Voorzichtig maak ik de aarde naast de kleinste zaailing een beetje los, trek heel zachtjes aan het kleinood dat gelukkig makkelijk loskomt, duw met een wijsvinger een diep gat ik de aarde van het andere potje, laat de wortels van de zaailing erin zakken, druk de aarde voorzichtig aan en doe dat ook in het eerste potje. Bij allebei de plantjes giet ik nog een beetje water.

‘Jullie kunnen het,’ zeg ik.

Fwiet en wieet

Het wordt nooit wat met het ontwarren van de vogelgeluiden. Dat dacht ik afgelopen winter. Maar nu is het lente en word ik al twee weken iedere ochtend wakker met de tjiftjaf. In welke boom of achtertuin hij zit te zingen weet ik niet, maar het geluid is alom en ik twijfel niet.

Vorige week liep ik het poldertje in en voorbij de twee grote plassen, daar waar het kleine bos begint, hoorde ik de tjiftjaf ook. Ik stopte, hield mijn verrekijker gereed en wachtte. Het tweetonige tjif (hoog)-tjaf (laag)-tjif (hoog)-tjaf (laag)-tjaf-tjaf-tjaf (drie keer steeds zachter) was nu heel dichtbij. Een lichtbruin vogeltje vloog over het pad en ging in de boom er vlak naast zitten. Ik richtte mijn verrekijker. Ja, heel lichtbruin, de borst neigend naar beige met een vleugje zachtgeel. Mijn eerste tjiftjaf.

Hij stopte met het zingen van zijn eigen naam. Nu hoorde ik fwiet-fwiet-fwiet. Even dacht ik aan de boomklever die R en ik onlangs gespot hadden in de bossen bij Dieren. Die had een constante herhaling van wieet-wieet-wieet voortgebracht met ruime tussenpozen. Ik keek weer door de verrekijker en zag dat het fwiet-fwiet-fwiet toch echt uit de snavel van de tjiftjaf kwam.

Thuis zocht ik het allemaal op. De tjiftjaf zingt zijn eigen naam en roept daarnaast fwiet-fwiet-fwiet. De boomklever zingt en roept alleen maar wieet-wieet-wieet, de ene keer snel, de andere keer langgerekt, de ene keer heel krachtig, de andere keer zo schril dat het pijn doet aan mijn oren. Maar nooit continu, hooguit een keer of drie, vier, vijf snel achter elkaar en dan een pauze. Ik probeerde het subtiele verschil tussen het oplopende ‘fwiet, fwiet’ van de tjiftjaf en het krachtigere ‘wieet, wieet’ van de boomklever in mijn oren te metselen.

Tellen

Zondagmorgen. Op de radio OVT, op de keukentafel een pot thee, een oude envelop en een pen, in mijn hand een bak fruit met warme havermout. Terwijl ik luister naar een verhaal over een jong Rotterdams meisje dat in de oorlog verliefd wordt op een Duitse matroos die bij Hoek van Holland de kust moet bewaken, tel ik drie houtduiven en twee koolmezen.

Eind 1944, als een Duitse nederlaag aanstaande lijkt, blijkt de jonge Rotterdamse zwanger. In Rotterdam is niks te eten, besloten wordt dat ze zich vrijwillig meldt voor de Duitse Arbeitseinsatz, ze zal haar vriend die per schip met zijn legereenheid terugkeert, in Hamburg ontmoeten. Samen gaan ze vandaar met de trein naar Zuid-Duitsland waar de matroos vandaan komt. Vier kauwen cirkelen inmiddels rond de voedertafel, eentje pikt aan de grote moestuinbak. Als ik beter kijk zie ik meer kale plekken op de zijkanten. Als ik me goed herinner zijn die bakken van recyclede plastic flesjes gemaakt. Zou het fijn nestmateriaal zijn? Als ik nog wat beter kijk, zie ik zelfs een gat.

De jonge Rotterdamse bevalt in het huis van haar schoonfamilie van een zoon. Twee maanden later verliest Duitsland de oorlog. Zuid-Duitsland komt onder Frans gezag, de matroos wordt gevangen gezet, de jonge Rotterdamse moet van de Fransen terug naar Nederland. Een merel landt op de schutting, een vink eet wat van de voedertafel, een heggenmus scharrelt tussen de houtsnippers.

Ruim twee jaar later krijgt de Rotterdamse toestemming om terug te gaan naar Zuid-Duitsland. Ze heeft veel chocola bij zich, daarmee weet ze haar inmiddels ruim twee jaar oude zoon voor zich te winnen. De Rotterdamse en de matroos trouwen, tien jaar later krijgen ze nog een zoon. Het is dankzij zijn onderzoek dat dit verhaal nu verteld kan worden. Direct na zijn geboorte wordt zijn moeder manisch-depressief. Hij verblijft lang bij zijn oma en opa in Rotterdam wat voor hem zeer aangename periodes zijn. Pas na de dood van zijn grootouders, als hij het huis in Rotterdam opruimt, vindt hij een joodse begrafenisverzekering. Dan pas ontdekt hij dat zijn Rotterdamse opa joods is. Er is nooit over gesproken. Zijn moeder heeft het wel aan zijn vader verteld, maar voor de rest van de Duitse schoonfamilie is het altijd verborgen gebleven. ‘Het blijven toch Duitsers,’ zegt zijn moeder daarover in een bewaard gebleven geluidsfragment. Een roodborst landt op de schutting, eet iets later van de voertafel. Van de andere kant komt een pimpelmees aangevlogen, op weg naar de voersilo.

Eén uur, vijftien vogels, negen soorten.