Aankopen

Om de vakantie te verlengen wandelen we door de stad, varen we met de ferry naar Heijplaat, zwerven we lang door Donner. Ik blader door het kookboek Jeruzalem van Ottolenghi. In de vakantie aten we in Maastricht in een Syrisch restaurant en ik kijk verlekkerd naar alle gerechten en gerechtjes uit het Midden-Oosten. Ik kook graag uit Ottolenghi, Jeruzalem bevat recepten die ik allemaal wil proberen. Het boek kost 37 euro. Ik pak mijn telefoon, vind op Boekwinkeltjes.nl een nieuw, ongebruikt exemplaar voor 20 euro inclusief verzendkosten en bestel het. Van de uitgespaarde 17 euro koop ik Lucia Berlins Welkom thuis. Als ik dat straks uit heb, heb ik alles van haar kleine oeuvre gelezen. Ze is dood, maar haar korte verhalen zal ik vaak herlezen. Ik wacht drie dagen, heb echt veel zin in het kookboek, en dan komt het eindelijk met een wit bestelautootje met een geelrood DHL-bordje achter de voorruit en blader ik gulzig en blijf dan kleven aan het recept voor humus; ik heb al langer veel zin om dat eens zelf te maken, heb zelfs al onbewerkte kikkererwten in huis. Humus maken vereist wel een flinke foodprocessor. Het bakje van de hakmolen van onze staafmixer is daarvoor veel te klein, ik liep er al vaker tegenaan, bovendien is het plastic rondom het gaatje waar het mesje in moet, in twee keer afgebroken. Eén keer vond ik het stuk, R zei dat hij ook een keer een stuk plastic in zijn handen had. Misschien hebben we ook al wat plastic via zelfgedraaide pesto of gemalen pinda’s opgegeten. Het bakje is minstens twintig jaar oud. Ik google op foodprocessors. Volgens een test van de Consumentenbond is de Magimix 3200XL de beste koop. Ik app goede vriend M die niet alleen zeer bedreven is als kok maar ook altijd goed thuis in apparaten. Ja, hij heeft een Magimix 3200XL, naar volle tevredenheid, en weet bovendien te vertellen dat Hudson’s Bay op dit moment een giga Magimix-aanbieding heeft. Ik google. De aanbieding is niet meer via internet te krijgen, maar mogelijk nog wel in de winkel. De 3200 is er niet meer, maar de 4200 en de 5200 nog wel. Ik vergelijk prijzen, ja de korting is echt fors en duikt ver onder andere aanbiedingen. Dan kijk ik op de site van Magimix waar een handig overzichtje van alle foodprocessors staat, de overeenkomsten, de verschillen. Ik zou misschien voor de 3200 zijn gegaan als die er nog was, maar nu die er niet is, ga ik bedenken waarom een 4200 ook zou kunnen, of zelfs een 5200. In afmetingen ontlopen de laatste twee elkaar nauwelijks, ik zet een boek ter grootte van de maten op het aanrecht om te kijken of de machine überhaupt wel past. Ja, het kan prima. De motor van de 5200 is krachtiger dan die van de 4200 en die is weer krachtiger dan die van de 3200 en dat is niet verkeerd, want soms heb ik forse noten te kraken. De grootste kom is bij de 5200 iets groter en ook dat is helemaal niet erg, kommen zijn al snel te klein. De 4200 is er alleen in zwart, de 5200 is er alleen in mat chroom. Als de metro er niet uit lag tussen Capelsebrug en Kralingse Zoom waardoor een ritje naar de stad deze weken een flinke hink-stap-sprong is, zou ik al in de metro hebben gezeten, maar nu aarzel ik. Toch blijft het kriebelen en de humus lokken, om maar te zwijgen over het gemak waarmee ik straks drie courgettes in dunne plakjes snij of wortels julienne, en na een nachtje slapen onderneem ik de hink-stap-sprong alsnog, wandel ik van station Blaak naar het warenhuis, neem de roltrappen naar de derde verdieping en laat ik een zeer vriendelijke medewerkster de 5200 uitpakken, ze stelt zelf voor de wel uitgestalde 4200 even te pakken en die er naast te zetten. Ja, mat chroom is beslist mooier, ‘en je ziet stof veel minder goed dan op dat zwart,’ zegt ze. Ze is een verkoopster naar mijn hart. Samen doen we de 5200 weer in de doos. Magimix geeft dertig jaar garantie op de motor, garandeert ook langdurige beschikbaarheid van hulpstukken, een apparaat voor het leven derhalve, dan moet ik niet knieperig doen en gewoon voor het maximale gaan, geen spijt krijgen. Ze scant de prijs. Ben ik member? Nee, maar vriend M misschien wel; is het goed als ik die even bel?, dan geef ik hem de 314 punten. De medewerkster vindt het prima, slim zelfs. Nee, M is geen member. Is het rendabel om het te worden? Nou, zegt de vrouw naar mijn hart, ik krijg direct een voucher van tien euro en die punten zijn ook al snel tien euro waard. Al heb ik nog nooit wat bij Hudson’s gekocht en ga ik dat waarschijnlijk ook nooit meer doen, ik ga voor de bijl. Omdat het touchscreen waarop ik mijn gegevens kan invullen het niet doet, breekt ze de hele procedure af en zegt dat we even naar de klantenservice gaan, daar doet ie ‘t wel. Mijn foodprocessoravonturen zullen voor altijd verbonden zijn met deze aardige medewerkster. De doos past in geen enkele tas, ook niet in de supershopper die ik voor de zekerheid heb meegenomen. Een touwconstructie heeft ze ook niet. Ik kan de doos precies voor mijn lijf houden, mijn handen om de verste hoeken van de bodem, de zijkanten precies in de knik van mijn armen. Bij de roltrappen herpak ik hem even om te kijken waar ik mijn voet ongeveer zet. De machine is 10,3 kilo, met alle accessoires en de doos erbij, tors ik al snel 12 kilo, maar de humus gloort. Weer thuis stuur ik M een fotootje van het apparaat op het aanrecht, het staat prachtig, helemaal geen bakbeest. ‘Mocht je eerder dan ik een aankoop bij Hudson’s doen,’ app ik hem, ‘bel dan even voor de codes van de voucher, dan is die verzilverd voor het faillissement.’

Een warme zomerdag

Vier Afrikaanse lelies staan nu al een jaar of twee, drie in de tuin, voor het eerst schittert er één bloeiende bol met diepblauwe bloempjes. In de linker hibiscus die er direct achter staat onthullen de eerste knoppen hun paarsblauwe bloemen. In de twee wilde bloemenweides duiken felroze zomerazalea’s op. Veel trossen in de witte druif, maar bijna allemaal worden ze grijs en verschrompelen de vruchten. Meeldauw, valse meeldauw, ik weet het niet precies, ik heb zoiets nog niet eerder gezien. Mijn broer hoopt de kapucijners er vandaag af te krijgen, vóór de 37 graden en nog heter losbarst. Op de deurmat een vakantiekaart uit Hawaii. Er zitten drie dezelfde postzegels op. Op de postzegel een hartvormige hanger met een gouden rand op een witte achtergrond met verticaal langs de linkerrand in paars de tekst PURPLE HEART en langs de rechterrand in rood FOREVER USA. Op de hartvormige hanger staat tegen een paarse achtergrond en profile de kop van president George Washington. Op internet lees ik dat de posterijen zo de mannen en vrouwen eren die als Amerikaans militair hun gezondheid of leven hebben opgeofferd. 55 dollarcent trouwens kost één zo’n zegel, staat niet op de zegel zelf trouwens, dat is globalisering, alle posterijen over de wereld apen elkaar na, zonder voorgedrukte prijs kun je de prijs moeiteloos verhogen zonder de boel weg te hoeven gooien. 1,65 dollar dus om de kaart de Atlantische Oceaan over te krijgen in negen dagen. De Purple Heart Medal is een militaire onderscheiding. Als het de kop van Trump was geweest op die postzegel, had het me niet verbaasd.

Oorlog

We staan in de kapucijners. Zaterdag reikten ze nog tot de heupen, nu verdwijnen onze voeten er niet eens in. Ze stonden er abnormaal goed bij, de acht hectaren, zegt mijn broer, hij rekende op zes ton. De man die vorige week de containers voor de oogst bracht, zei nog: die liggen er dinsdag wel af. In de schaduw van een van de containers staan we. De kapucijners zijn eraf, zo ver als we kijken is de grond ermee bezaaid, uit de peulen geroffeld door de code oranje hagelbui van zaterdag, een precisie bommentapijt van hagelstenen die geen vierkante centimeter oversloegen. De hagel ging in een strook over het eiland en alle 62 hectare van mijn broer lagen in die strook. In tien minuten was het bekeken. ‘Het leek wel een oorlogsgebied,’ zegt collega-boer A, die met zijn zoon in de auto is gesprongen om er bij te zijn als mijn broer een eerste omgang gaat maken. De combine staat verderop al klaar. ‘De hagel lag er na twee uur nog,’ zegt mijn broer. Mijn oom en tante waren gisteren wezen kijken. Die hadden zoiets in hun lange leven nog nooit gezien. ‘Ik had de mooiste blok cichorei,’ zegt mijn broer, ‘de mooiste bieten, als je erdoor wilde, moest je echt waden, zo dicht en rijk stond het blad.’ Verderop liggen de bieten en cichorei als ontblote tandhalzen in de kurkdroge aarde, op hun kop nog wat sprieten afgeknapt groen, dor al. Er komt een man van de suikerfabriek de kapucijners in gelopen. Hij is ook langs de bietenblokken van mijn broer gereden. Hij heeft de fabriek al een mailtje gestuurd over wat hier in deze contreien gebeurd is. Mijn broer heeft ingeschreven op een levering in september. Ze geloven niet dat dat er in zit, zeker niet de bieten bij stee, al denkt mijn broer dat het andere blok bij de betonnen pad meer kans maakt op herstel. Anders is het wachten tot november. De plant heeft eerst alle energie weer nodig om het blad te herstellen en als dat op orde is, kan de energie naar de biet, naar het maken van suiker. Maar wat gaat die veertig graden deze week doen, vraagt mijn broer zich af. Het blad dat er nog zit wordt geroosterd. Dan de tarwe, die is niet zozeer platgeslagen, wat hoosbuien of storm kunnen doen, nee, de hagel heeft de aren gewoon leeggeroffeld. Net als in de kapucijners is de grond daar bezaaid met tarwekorrels. Mijn broer heeft direct de jager gebeld, want eenden zijn er als de kippen bij als er ergens een gedekte tafel is en met hun enorme poten kunnen ze een gewas helemaal plat walsen. De quinoa die in de Noordpolder staat heeft relatief de minste schade. En ook in het blauwmaanzaad zijn weliswaar veel stelen geknakt, maar de dozen met de zaadjes zijn heel gebleven en van de geknakte stelen zweven de dozen nog een flink stuk boven de grond. De combine tilt die wel op. Mijn broer klimt de combine op, gaat een omgang maken, kijken wat er nog vanaf komt. Als hij weer vooraan is, neemt hij een monster, zijn dochter neemt het blik mee naar de boerderij om het vochtgehalte te meten. Even later belt ze. Ietsje aan de hoge kant nog, maar dat mixt wel met de drogere kapucijners van straks, van morgen. Wat er vanaf komt, valt nog niet eens tegen. Misschien toch nog twee ton, genoeg om de kosten te dekken. Ze overleggen, mijn broer, zijn collega, diens zoon. Doorgaan maar, met die zon en die wind is de kans groot dat wat rijp is en nog in de peul zit, morgen of overmorgen alsnog op de grond valt. Sowieso is iets doen in zo’n oorlogslandschap beter dan verloren rondlopen en het hoofd de kans te geven op malerij. Verderop zit de jager in zijn hutje, ‘vaak van acht uur ‘s ochtends tot vijf uur ‘s middags,’ zegt mijn broer. Regelmatig horen we een knal. De hond heeft hij thuisgelaten, die zou rennend over de kurkdroge peulen de resterende kapucijners er maar uit trillen. Alle beetjes helpen.

97 gram

Hij is nog een beetje warm, weegt nog geen ons, maar is toch echt morsdood. Een uur geleden begon het met een bons. Ik herken die bons, dan vliegt er een vogel tegen de ruit of de openstaande deur. Ik loop van de keuken door de woonkamer naar het balkon en daar ligt ie: een jonge merel. Het beestje ligt niet op zijn rug, niet op zijn zij, maar iets daar tussenin, dan maakt ie een kleine beweging en nu ligt ie helemaal op zijn rug, de pootjes omhoog, snavel ten hemel. De andere kant op, roep ik. Ik denk aan schapen, als die zo liggen gaan ze gegarandeerd dood. Moet ik ‘m helpen op zijn pootjes terecht te komen? Eerlijk gezegd durf ik dat niet, bang voor paniek bij het beest, bang voor gepik in mijn handen. Of heb ik het sterven al aanschouwd? Ik ren de trap op, R is in de badkamer, ik vertel. Hij zegt: reanimeren. Hoe? vraag ik. Gewoon, ergens op de borst duwen, mond over de snavel en blazen maar. Dat durf ik niet, zeg ik. Ik loop terug, kijk weer naar de merel die nog altijd op zijn rug ligt, de pootjes lijken iets meer naar buiten te zijn gezakt. In de keuken haal ik een theedoek, loop terug naar het balkon, buk naast het vederzachte kleinood, duw met de theedoek om mijn vingers op de warme borst, de wind beweegt de veren van zijn staart licht. Het beestje geeft geen krimp. Ik haal de theedoek weg, de veren zijn zo zacht, daaronder de stevige en toch ook zo tere welving van de borst. Zo blijf ik even zitten. Dan sta ik op, haal in de keuken uit de oudpapierbak een stukje karton en een papieren havermoutzak en loop weer terug. Als ik het karton onder de merel schuif, valt zijn kopje naar rechts, alles zo slap, zijn oog op een klein zwart spleetje. Wat ermee te doen? R is inmiddels in de keuken, ik laat hem ‘t diertje zien. Misschien is het een tijdelijk coma, zegt R. Dan moet ik ‘m nog niet in de kliko doen, maar buiten leggen; niet in de achtertuin, daar komen katten, dus loop ik weer terug naar het balkon en leg ‘m in een hoekje, ik scheur de havermoutzak een stuk open. Het is tijd om boodschappen te doen. Bij de groentevrienden val ik met mijn neus in de kibbeling. De visboer staat nog te kletsen. Het begint weer te gieten. Ik klets nog wat langer, er komen nu toch geen klanten, N gaat morgen naar Terschelling, en als ie over een jaar slaagt voor zijn havo neemt ie een tussenjaar en gaat ie met zijn tante naar Nepal, wandelen aan de voet van de Mount Everest. Ik koop eieren, aalbessen, een groot stuk gember omdat ik ingelegde gember ga maken, een citroen, dille, loop nog even bij AH binnen voor Japanse rijstwijn. Dan is het weer droog en wandel ik naar huis. Ik ruim de boodschappen op en hoor op de radio dat voor Rotterdam code oranje is afgegeven vanwege een zware bui met grote hagelstenen. Ik loop naar het balkon, het mereltje is niet uit de dood opgestaan, de zak is door de regen op het kopje gezakt, ik neem het nog altijd warme lijfje mee naar binnen, ik ga niet wachten op de hagelstenen.

Tuinbewegingen

Op twee armlengtes zit een tortelduif op de leuning van het tuintrapje. We kijken naar elkaar. Mijn hoofd- en typbewegingen schrikken hem of haar niet af. Een andere tortel wandelt op de aluminiumlijst van de linkerschutting. Een mannetjesmerel landt op de rechterschutting, vliegt weg, komt terug, vliegt door naar de dakrand. Even later landt een jonge merel op de schutting. Een koolmees zit op het zwarte verlengsnoer dat opgerold aan een ring aan de pergola hangt. Een andere koolmees pikt in de licht gespleten bovenste schuttingplank. Bijen vliegen van amandelroosje naar amandelroosje en van slangenkruid naar slangenkruid. Een koolwitje vlindert boven de druiven. Een tortel wandelt schuin boven me op iets meer dan een armlengte op het muurtje dat ons terras scheidt van dat van de buurman. Opnieuw kijken we naar elkaar.

Springen, koken, lezen

We kijken naar de kinderen op de trampoline, de tante van het jarige meisje en ik. ‘We hebben er vier versleten,’ zegt ze. ‘Succes verzekerd. Om emoties los te krijgen, om overtollige energie weg te laten vloeien, voor vriendjes en vriendinnetjes.’ Ze heeft vier zonen, allemaal volwassen inmiddels; al wonen er nog twee thuis, de trampoline is niet meer nodig. Alle zonen hebben werk, doen iets wat ze graag willen. Daarin heeft ze hen van jongs af aan gestimuleerd. De jongste is kok. Eens in de zoveel tijd trakteert ze hem op een heel goed restaurant, om te proeven, om te kijken wat zijn collega’s doen. Een poosje geleden deden ze een proeverij van 23 gerechtjes in De Harmonie. Toen wist hij: dit wil ik weer, naar dit niveau toewerken. Hij solliciteerde, kreeg als advies: ga eerst een tijdje naar Nova om op stoom te komen, kom dan naar ons. Nova was net nieuw, hij begon en besloot er te blijven. Er staat al een gerecht van hem op de kaart. ‘Hij is echt van het pure, geen zakjes, pakjes, alles duurzaam, geen rotzooi,’ zegt ze. ‘En van de groenten.’ Bij die proeverij van 23 gerechtjes was 80 procent groenten, 20 procent vlees of vis. ‘Die tachtig procent stak er met kop en schouders bovenuit,’ zegt ze. ‘Wist je dat je van champignons vitamine D-bommetjes kunt maken? Je legt ze met de steeltjes naar boven twee uur buiten in de zon, et voila.’ ‘Waar zit Nova,’ vraag ik. Bergschenhoek. Maar, zegt ze, je moet het echt opzoeken, want het zit helemaal ergens achteraf. En: reserveren. Het is niet ver van Hilligersberg, en sinds ze het daar ontdekt hebben, én dat ze er op de fiets naartoe kunnen, loopt het storm. Ook hebben we het over boeken. Haar moeder die docent Engels was, is al een poosje dood, maar in haar huis staat nog een enorme wand met goede literatuur. Als het huis verkocht wordt, zullen de boeken ook weg moeten. Ik vertel haar hoe het met goede literatuur gaat op de bazaar waar ik weleens help. Het aanbod is enorm, de vraag minimaal. Ik weersta de verleiding om haar het adres van haar moeders huis te vragen en zeg: probeer het bij Leeszaal Rotterdam-West, daar kun je boeken brengen en halen, gratis. We nemen afscheid, zij gaat Formule 1 kijken, ik Wimbledon. Thuis tik ik Nova Bergschenhoek in. ‘Weet je waar dat restaurant zit?’ roep ik naar R. ‘Waar eerst de Lindenhoeve zat.’ We kunnen er naartoe lopen, wijk uit, bruggetje over, zitten maar. De smaakrecensent van NRC ging ons voor en was lovend.

Vrijdagmorgen

Het onweerde hard en het regende nog harder. Ik deed een beetje water in de waterkoker en zette die aan. Met mijn gezicht boven de gootsteen at ik twee nectarines. Toen het water kookte, goot ik het in een mok en hing er een theezakje in. Ik schreef ‘Fuck Yeah’ naar de tuinbaas die me een filmpje had gestuurd waarin te zien was hoe haar dochter met hele mooie woorden haar opleiding afrondde, de docent improvisatie zag het helemaal in haar zitten als speler, poëtische sensitiviteit, zei ze, en en op de slide achter de dochter stond een uitspraak van haar: ‘Soms moet je op een mooie dag gewoon FUCK YEAH roepen.’ Daarna schreef ik ‘Whow’ naar een goede vriend die me een krantenbericht stuurde met bovenaan een foto van de premier op een podium bij de opening van de kliniek die de zoon van de vriend na een zeer pijnlijke weg voor elkaar had gebokst. Vervolgens typte ik ‘Yes yes’ naar mijn nichtje die een jaar of twee geleden helemaal wilde stoppen met school en alles, en die me nu een fotootje stuurde van een brief waarin haar volgende opleiding haar een positief studieadvies gaf voor het vervolg; een opleiding waar ze twee jaar geleden niet aan moest denken. Ik deed wat koud water bij de thee, dronk het snel op. Het was inmiddels droog. Buiten hing damp van de koude regen op de warme aarde zoals ik die zomers ook wel in het dal tussen de bergen heb gezien. Ik stapte op de fiets, ontweek zoveel mogelijk de grote plassen en zette een minuut of vijf later mijn fiets op slot. In de box waren we met z’n achten. We renden, stonden op onze handen, bogen onze lijven, probeerden bij touwtjespringen het touw in één sprong twee keer onder onze voeten door te laten gaan, deden push ups en wie meer kon liet zichzelf vanuit de handstandpositie zakken en duwde zich weer omhoog en wie nog meer kon liep vijf meter op zijn handen. Af en toe roffelde de regen hard op de dakplaten. Als toetje roeiden we 750 meter, zakten we vijftig keer diep door onze knieën om bij het omhoog komen een zware bal tot een bepaalde hoogte tegen de muur te gooien en trokken we tot slot 25 keer een stang met gewichten vanaf de grond tot borsthoogte. Toen we klaar waren was het weer droog.