Berlijn (2)

Naar aanleiding van het diepe gesprek dat R en Berlijn telefonisch hadden gevoerd, liet R bloemen bezorgen in Berlijn. Dat is tegenwoordig niet helemaal een fluitje van een cent maar toch wel bijna. Het moest een verrassing zijn, maar omdat Duitsers minder scheutig zijn met ‘gratis’ bezorging en R bij een niet-geslaagde eerste afleverpoging flink in de buidel moest tasten voor een tweede afleverpoging, had hij Berlijn ingeseind dat ze zaterdagochtend tussen negen en twaalf thuis moesten zijn.

‘s Middags bleek dat de verrassing desondanks groot was, niet in de laatste plaats vanwege R’s bemoedigende woorden op het begeleidende kaartje, en kwam er via whatsapp een foto van een bos enorme roze pioenrozen, die Duitsers ook wel pinksterrozen noemen. Twee dagen later, op een foto van Berlijn in een nieuw tomaatrood jurkje naast een eveneens tomaatrode fauteuil links en die vaas met pinksterbloemen strategisch rechts, leken de pioenrozen oranje.

Net kreeg R een foto van de bos waarop de bloemblaadjes lichtgeel, bijna wit waren. Volgens Berlijn was er een wonder gebeurd, een Pinksterwonder. Volgens R werd het tijd om dit fotootje naar Blumen Koch Berlin – ‘der elegante Blumenladen mit Tradition in Berlin Halensee’ – te sturen.

Weegschaal

Hoelang hebben we deze weegschaal al? Geen idee. Het is onze tweede personenweegschaal. De eerste, met een rode wijzer en zonder batterijen, kochten we bij Termeulen, er zat iets zachts wits op de bovenkant, lekker voor je blote voeten.

Deze is van glas met twee metalen strips links en twee strips rechts. Op die strips moet je je blote voeten zetten. Ik kom het boekje tegen, handleiding denk je, maar handleidingen beginnen tegenwoordig allemaal met drie bladzijden waarschuwingen en uitroeptekens. Zo is dit apparaat niet geschikt voor zwangeren, en ook niet voor mensen met pacemakers en andere medische implantaten. Waarom niet? Wat kan er gebeuren? Staat er niet bij. Misschien omdat de weegschaal gebruik maakt van ‘bio-elektrische impedantie analyse’, oftewel: zeer zwakke elektrische stroompjes van mijn ene voet naar mijn andere voet stuurt? Dat weetje staat dan weer onder ‘wetenswaardigheden’.

Behalve over kilo’s geeft deze weegschaal informatie over vet, lichaamsvocht, spieren en botten. Je kunt de persoonlijke gegevens van maximaal tien personen invoeren. Ik vind een briefje van drie jaar geleden. Toen had ik net uitgedokterd wat dat icoontje naast mijn leeftijd en lengte betekende: een poppetje zonder armen dat kennelijk een V-vormig torso voorstelt, is een man, nou ja, het torso dus waar mannen van dromen, een juichend poppetje dat je ook voor een getailleerd torso kunt houden, is een vrouw. Wordt zo’n man of vrouw vergezeld door een gestileerde hardloper/speerwerper dan gaat het om een atletisch lichaam. Het maakt nogal wat uit of ik mij programmeer als een atletische man of als een niet-atletische vrouw. Drie jaar geleden zocht ik het uit: bij hetzelfde gewicht liep het vetpercentage uiteen van 7,9 tot 16,4.

In het boekje staan ook tabellen. De cijfers die op de weegschaal verschijnen als ik erop sta kan ik vergelijken met die in de tabellen. Mijn spiermassa is normaal, het botpercentage, 2,5 kg, is ook oké, al lijkt het me weinig, vet is gering, lichaamsvocht is hoog, zestig procent. Ik kijk op internet of dat kwaad kan, ik geloof het niet, check dan ook even die botten. Wat weegschalen aangeven is niet helemaal correct, botten wegen meer, maar lang niet zoveel als mensen vaak denken, komt omdat ze hol zijn, en ook omdat het niet handig zou zijn als ze zwaar zouden zijn, moeten we immers allemaal meesjouwen.

Sterke botten krijg je door beweging, lees ik, niet alle beweging helpt, fietsen bijvoorbeeld, maar springen is prima. Gisteren sprong ik weer eens voor de double unders. Ik had het rode springkabeltje al meer dan een week niet uit zijn opbergzakje gehaald, maar mijn lichaam was ze niet vergeten. Het ging heel goed. Ik keek naar mezelf in de spiegeling van de ruit. Dat hielp. De ogen hoog richten helpt ook. En de linkerhand moet ik in de gaten houden, niet vergeten die goed naar buiten te wijzen.

Ik ben al bijna vergeten hoe het gewone touwtjespringen gaat.

Satéprikkers

Op de eerste dag van juni ben ik bij woord 261 – van de 500 die er voor vandaag gepland staan – als de grote bonte specht bij de pindakaaspothouder arriveert. Het is het vrouwtje, ze verplaatst haar poten een paar keer voor de beste positie, klapt dan haar soepele lijf dubbel, steekt haar ranke kop door de tralies en haar gracieuze snavel in de pindakaaspot. Ik pak de verrekijker. Ze houdt haar linkerpoot in een ondergreep en haar rechterpoot een tralie hoger in een bovengreep en daartussendoor gaat haar kop naar binnen. Goede crossfitoefening.
Vorige week heb ik satéprikkers door de tralies gestoken om de pindakaaspot op zijn plek in het midden van de beschermkooi te houden. Slimme kauwen waren bovenop de kooi gaan duwen en schommelen tot ie zo scheef hing dat de pot tegen de tralies van de kooi was geschoven waarna de slimmeriken met hun grote lijven aan de kooi waren gaan hangen en met hun schrokkerige snavels grote brokken uit de pot pikten die nu voor hun neus lag.
Ik stak zowel prikkers voor langs de onderzijde van de potopening als voor langs de bovenzijde. Die onderste zaten met een lichte buiging lekker klemvast, die bovenste iets losser. Nog geen vijf minuten later kwam een mannetjes bonte specht. Die denkt: wat is hier gebeurd, hipt al hangend aan de kooi een rondje, bekijkt het geval van alle kanten, begint wat te tikken en ik zie zo de twee bovenste satéprikkers op de rand van de vijverbrug vallen.
Toch kan ik niet boos worden op de grote bonte specht. Het is een vogeldrukte van belang in de tuin – groenlingen die lekker met z’n drieën of vieren in de voedersilo met elkaar kletsen en ondertussen zaden kraken en rommelig eten; jonge pimpelmezen die onophoudelijk piepend achter hun mama’s en papa’s aanvliegen en zich laten voeren; koolmezen die al even druk in de weer zijn met eten; houtduiven en tortels die hun territorium bevechten waarbij de kleinere tortel verrassend wint; een roodborst die onder de pindakaaspotten de restjes zoekt; kauwen, eksters, soms een Vlaamse gaai die de boel komen verstoren waarbij de kauwen er nog niet over uit zijn waarom die pindakaaspot niet meer naar de rand glijdt; soms een winterkoninkje – maar alleen de grote bonte specht doet mijn mondhoeken opveren, mijn wangen glimlachen, houdt mijn blik minutenlang gevangen.
Die spechtbroek is zo vrolijk makend rood, een dun soort rood, niet verzadigd, en toch heel intens. Het mannetje heeft dat rood ook als een vlek achterop zijn hoofd en nu hoop en wacht ik op een jong, een juveniel, die schijnt volgens de plaatjes en foto’s een rode pet te hebben. Die pet verdwijnt als ze ouder worden, net als bij jonge mensen.

Berlijn

We hadden net één kast van boven naar beneden getild toen de huistelefoon ging. De huistelefoon betekent: Duitsland. ‘Berlijn,’ zei ik. ‘Het kan ook München zijn,’ zei R.

R nam op, het was Berlijn. R vertelde dat we bezig waren met kasten sjouwen. Berlijn vond die klus duizend keer belangrijker dan haar telefoontje. ‘Tien minuutjes,’ zei R. Na vijf minuten waren we klaar. Nou ja, we moeten die kasten nog wel zien te verkopen: vijf stuks, of, als Z er eentje wil hebben, vier. Ik hoop dat we binnenkort nog een kast naar beneden kunnen dragen. Al moet ik dan wel harde keuzes maken over wat er her en der nog op de grond ligt.

Het goede van de digitale tijd is dat ik me geen zorgen hoef te maken over wat er in de toekomst nog aan papierrommel bijkomt. Het slechte gaan we nog leren. Onze laptops, smartphones, tablets, clouds en accounts bij banken, verzekeraars, belastingdienst en webwinkels zijn onze nieuwe kasten, rommelzolders, tuinschuurtjes, en net als in de echte wereld zijn we voortdurend dingen kwijt, of voorgoed als er iets crasht of failliet gaat, maar ze nemen een stuk minder ruimte in.

Na ruim tien minuten belde Berlijn opnieuw. Ze wilde weten om welke kasten het ging. Ja die, die waar ze weleens naast had geslapen. Terwijl R met Berlijn de situatie daar en hier doornam en diepe gesprekken voerde over zijn leven en het hare, en ik meeluisterde, stuurde ik via Whatsapp foto’s van het boeken- en kastenproject naar Berlijn. Dat ik dat nog niet eerder had gedaan. Berlijn, in ieder geval de vrouwelijke helft van Berlijn, is namelijk net zo bedreven in het verzinnen en uitvoeren van slimme oplossingen binnenshuis als ik. Het werd later en later, ik ging alvast mijn tanden poetsen en toen ging ik in bed liggen met de slaapkamerdeur open zodat ik niks van het gesprek hoefde te missen, maar ik zal toch in slaap zijn gevallen. Zoals kinderen doen wanneer er een goed verhaal wordt voorgelezen.

Droogte (3)

‘In Zeeland,’ zei mijn broer, ‘hebben ze het op bepaalde plekken al opgegeven.’ Hij bedoelde: in die provincie met de meeste zonuren, een pittig zeewindje, zout grondwater en brak water in de sloten kunnen ze hun kurkdroge percelen niet beregenen, dus laten ze die braak liggen, of doen ze niks meer nadat een gewas niet is opgekomen. ‘Hebben ze daar in de tijd van die Balkenende-kabinetten niet een zoetwaterleiding gekregen?’ vroeg ik. Mijn broer wist het niet.

Zelf prees mijn broer zich gelukkig, er zat bij hem nog genoeg water in de sloot, hij kon beregenen, hij mocht beregenen, hij was nu bezig in de bonen. Die had hij na IJsheiligen gezaaid. Eerst was er water nodig geweest om de grond los te krijgen, daarna was er water nodig om de bonen te laten ontkiemen, nu was er water nodig om de grond rul te houden zodat die kiemen zich ook naar de oppervlakte wisten te duwen.

Hij was 24/7 aan de bak. Het oprijden van de kurkdroge, keiharde grond moest bij deze droogte twee keer, en daarna moest die beregeningshaspel het land over, en alhoewel die zichzelf wel voorttrok moest die ook iedere keer een stuk verplaatst worden. En was je rond, dan kon je weer vooraan beginnen. Vorige week was de slang er een keer naast gelopen, zulke akkefietjes moest je niet teveel hebben, ging je beregeningsinstallatie kapot, dan kon je het vergeten. Mondkapjes waren schaars, beregeningsinstallaties waren er gewoonweg niet meer, alles wat ook maar enigszins water kon verspreiden, stond wel ergens water te verspreiden.

Gelukkig zat iedereen in hetzelfde schuitje en was het naast Zeeland op plekken in Brabant en verder naar het oosten nog veel erger omdat daar al niet meer beregend mocht worden. Zijn blauwmaanzaad was mislukt, ‘dat ligt zo luchtig,’ zei hij, maar dat was bij anderen ook mislukt. Hij dacht na of hij daar nog maïs zou gaan zetten – het enige gewas dat je zo laat kunt zaaien, met als keerzijde dat je het ook pas heel laat oogst, en hoe nat zal het komende herfst zijn? – of dat hij er groenbemester op zou doen.

En de tarwe? Daar had hij al vroeg ‘een flinke dot’ dunne mest over uit laten rijden, de voedingsstoffen waren dankzij het vocht in de mest lekker de grond ingesijpeld naar de wortels. Had hij kunstmest gestrooid, dan was het een ander verhaal geweest: om de voedingsstoffen vrij te krijgen heb je regen nodig. ‘De natuur weet het altijd beter dan de mens,’ zei ik.

Zijn suikerbieten stonden er heel goed bij, maar ja, dat was vorig jaar ook het geval en toen kwam er die verschrikkelijke hagel. De opbrengsten zouden dit jaar wereldwijd zeker een stuk minder zijn, dus kwam het met de prijzen wel goed.

Hij was vooral blij dat zijn vrouw weer thuis was, dat ze niet meer in het verpleeghuis zat. Dat vond ze zelf ook.

Berg, leegte, alles

Ik was bezig met de rafelrand die was achtergebleven na de grote kasten- en boekenoperatie in februari: verzekeringspapieren, studieboeken, viltstiften, zonnebrillen, verjaardagskaarten, handleidingen, bonnen, garantiebewijzen, salarisstroken, treinkaartjes, uitgescheurde krantenartikelen, paspoorten met gaten erin, pasfotootjes, laptopsnoeren, opladers, oude telefoons, programmaboekjes van voorstellingen, inpakpapier, middelbareschoolschriften, een oude typemachine, twee tennisrackets, reisgidsen, gipsafdrukken van mijn elfjarige gebit, een plukje babyhaar. Om maar eens wat te noemen.

Ik vergeleek de klus met wat de ontwerpster Charlotte Perriand (1903-1999) bij het bergbeklimmen de laatste tien meter noemt. Dat zijn de moeilijkste. Maar om die tien meter draait het ‘als discipline voor het leven, als ethiek.’ Ik zag Perriand zaterdagavond in de Close Up documentaire Charlotte Perriand – Pionier van de levenskunst. Ze zegt dingen als: ‘Leegte is almachtig, want hij kan alles bevatten.’ En: ‘Je kunt visueel ruimte scheppen zonder een grote oppervlakte. Daarvoor moet je leegte scheppen.’ De kiem voor de leidraad in haar werk wordt gelegd als ze tien is en lang in het ziekenhuis ligt vanwege een blindedarmoperatie. Haar kamer is eenvoudig en wit, ze heeft uitzicht op een boom. Als ze weer thuiskomt in het met pompeuze meubels volgepropte huis van haar ouders – zoals dat gewoon is in het Parijs van begin twintigste eeuw – moet ze huilen.

Perriand was het duwtje dat ik nodig had om die laatste tien meter naar de bergtop te hervatten. De volgende ochtend stond ik al vroeg papier te scheuren en vuilniszakken te vullen. Duizenden beslissingen gingen er door mijn handen. Hoe lang moet je bonnetjes bewaren voor de Belastingdienst? Zeven jaar? Ik was met mijn bescheiden nerinkje al twee keer gecontroleerd en sinds een paar jaar was ik weer gewoon particulier. Die gok kon ik nemen. Verkleurde bonnen van Donner en Bruna, hup hup, weg ermee. De jaarlijkse nieuwe verzekeringspremies? Voorwaarden van tien jaar geleden? Allang veranderd en toch een boevenbende die altijd njet zegt. Schrrrrt schrrrrt in de prullenbak.

Verslapte mijn besluitvaardigheid dan dacht ik: stel je voor dat ik morgen dood neerval en R moet dit allemaal door zijn handen laten gaan? Dan ging het vlot verder van roetsjjj roetsjjjj. Al overlegde ik bij de doos bankafschriften – waarin ik mijn ontelbare verkeringen met banken sinds mijn zeventiende in keurige mapjes had bewaard – toch even kort met de historicus in me, waarna de betaalrekeningafschriften mochten blijven, maar al die wisselende contacten in het spaargebeuren vlot verdwenen.

Ik bracht twee zware boodschappentassen met oud papier naar beneden en stopte een grote vuilniszak vol papiersnippers in de grijze container. Toch leek er bij terugkomst nog zoveel te liggen dat de moed zomaar in mijn sokken kon verdwijnen. Daarom besloot ik de bergtop tien meter hoger te maken. Wat nu als alles wat mocht blijven in maximaal twee kasten moest passen? Concreter: in zestien Ikea-bakken van circa 33 x 33 x 33 centimeter? Dan zou de werkkamer na deze operatie aanmerkelijk leger zijn dan die was, dan kon die weer veel meer bevatten. Verder ging het, roetsjjj roetsjjj hup hup weg weg.

Grote broer

Nichtje D vroeg hoe het ook alweer zat met dat dode broertje van ons. Had hij niet dezelfde voornaam als haar vader? Ze had het wel eens aan haar vader gevraagd, maar van hem was ze niks wijzer van geworden. Ik zei dat ik het ooit had uitgezocht en nu ik aan het opruimen ben – de rafelrand die achter is gebleven na de grote boeken- en kastenoperatie van februari – kom ik mijn aantekeningen weer tegen.

Ze staan op een geel door de zon aangetast briefje en op een envelop van D66 – waar ik een tijd lid van was tot dat geruzie om het lijsttrekkerschap tussen Pechtold en Van der Laan in 2006 mijn liefde voor Jan Terlouw en Hans van Mierlo overschaduwde. Het zal 2005 of 2006 zijn geweest, aan de andere telefoonaantekeningen te zien was ik bij de vereniging van sociale dienstdirecteuren bezig de bijstandsmonitor op te zetten.

Ik weet nog dat ik belde met het gemeentehuis in P en dat een ambtenaar van de burgerlijke stand gewoon begon te vertellen nadat ik mijn vraag had gesteld. Niks wantrouwen, niks ‘dien uw verzoek in drievoud in’. Mijn broer was op 15 januari 1966 geboren, levenloos, en mijn vader had de aangifte gedaan: ‘Heden 17 januari 1966 verscheen [de naam van mijn vader] 39 jaar oud’, las ze voor. Nee, er stond geen voornaam vermeld.

Uit verhalen van mijn grote zussen en nichten, trouwens ook van mijn vader, weet ik dat het broertje een paar dagen geleefd heeft. Hij had anencefalie, een open schedeltje. De huisarts die zo’n dikke buik had dat hij zich altijd zijwaarts uit zijn Amerikaanse slee liet rollen, zou volgens mijn vader gezegd hebben dat ze het jongetje niet naar het ziekenhuis moesten doen, omdat hij dan een kasplantje zou worden. Een nicht of mijn oudste zus vertelde dat de kraamhulp een washandje had opengeknipt en dat op die open plek gelegd had temidden van een bos vol zwart haar. Een andere nicht wist te vertellen dat mijn moeder haar eerste zoon na twee dochters bijna tien maanden gedragen had. Toen ik dat tegen mijn oudste zus zei begreep ze waarom er een maand eerder met Sinterklaas geen cadeautjes waren geweest, alleen een zelfgemaakt popje, ze herinnerde zich dat mijn moeder zich ook bekloeg omdat ze niks meer paste, alleen nog een wijde blauwe jurk.

Was er nog een graf, vroeg ik de ambtenaar. Ze moest even zoeken, kon alleen zien dat het een algemeen graf was ‘na 102’, al wist ze niet precies wat dat betekende. Ik kreeg een 06-nummer van de man die al een eeuwigheid de begraafplaats beheerde, Cor Moree. Ik belde hem. Hij vertelde dat het in die tijd gebruikelijk was om doodgeboren kindjes ‘mee te begraven’. Het was die winter heel koud. Omdat je met vorst geen graf kunt graven, hadden ze altijd een of twee graven klaar. De dag na mijn vaders aangifte op het gemeentehuis overleed een oude vrouw. Net voor haar begrafenis werd in een hoekje van haar graf een extra grafje gegraven en daarin werd mijn broertje begraven. ‘Langs de aula rechtdoor, rechtsaf een kruisend pad, dan een klein stukje naar rechts, tegen de pad langs het asfalt,’ heb ik op het gele briefje geschreven.

Tegen de pad, dat is geen taalfout, zo zeggen ze dat waar ik geboren ben. Ik heb het opgezocht op internet waar de begraafplaats van mijn geboorteplek online staat. Ik heb het graf van de overleden vrouw gevonden, mevrouw Andeweg-Faase, 84 jaar oud, de datum klopt, vak 2, rij 10.

Ik heb in de spullen van mijn vader de rekening van de grafkistenfabrikant gevonden: 1 babykistje 25 gulden, gekocht op 17 januari 1966, dezelfde dag als de aangifte. Van mijn opa van moederskant weet ik dat hij samen met mijn vader en mijn broertje in dat kistje naar de begraafplaats is gegaan, dat hij dat zwaar vond. Op de nota van de begrafenisverzorger van 25 januari staat de naam van mijn vader en daaronder ‘Voor de verzorging van de begrafenis van zijn levenloos kind’. De gemeentelijke begraafrechten zijn gedateerd op 18 januari en bedragen 12,25 gulden, de verzorging van de begrafenis kost 7 gulden. Dan is er nog een kwitantie voor ’11 dagen kraamhulp a f 25 + f 5 inschrijfgeld + f 12,50 reiskosten’ en een rekening van de huisarts a f 322. Mijn vader heeft er met pen ‘1e Wim’ opgeschreven, zoals hij op vergelijkbare nota’s de namen van mij, mijn broer en zus heeft geschreven.

Over de reden waarom mijn vader mijn broer levenloos heeft aangegeven, kan ik alleen speculeren. Ik hoorde voor het eerst van zijn bestaan in het jaar na mijn moeders overlijden. Mijn vader zei: ‘Vandaag zou jullie grote broer zeventien zijn geworden.’ We zaten te ontbijten, mijn vader, mijn broer, bijna 15, en ik, 13 jaar. Het moet een zaterdag geweest zijn, de enige ochtend waarop er kans was dat we gelijktijdig ontbeten. Ik heb het nagekeken, 15 januari 1983 was inderdaad een zaterdag. Er volgde een verhaal. Ik liet het verhaal tot me doordringen toen ik de tafel ging afruimen. Acht maanden daarvoor rolde er al een levende zus van wie ik geen weet had mijn leven in en nu een dode broer. Als het allemaal net even anders was gelopen had het gezin voor mijn geboorte al uit twee dochters en twee zonen kunnen bestaan. Terwijl ik bezig was de stroop en pindakaas en chocopasta terug te zetten in de voorraadkast, vroeg ik: ‘Als dat broertje nog geleefd zou hebben, zou ik er dan geweest zijn?’ Zulke vragen moest ik niet stellen, zei mijn vader.

Straks stuur ik mijn nichtje dit verhaal.