Brood 21, sneeuw?

Ik bakte brood 21, weer helemaal volgens recept van Issa Niemeijer en deze keer van biologische bloem van Lidl dat volgens de website van broodsmakelijk.nl overeenkwam met T55-meel en dat zou het goede type meel moeten zijn voor baguette-achtig deeg. Ik had het deeg gevouwen en gevormd als een pavé, die naam had het brood gekregen omdat het leek op een straattegel.

Zoals gebruikelijk vanaf brood 1 filmde R het aansnijmoment. Hij heette alle kijkers welkom bij bakkerij Het pavement. Die naam had hij voor mijn bakkerij bedacht. Vanwege de pavé dus. De buitenkant van het brood was vrijwel een kopie van de pavébroden op de foto in het broodboek. En dus waren we allebei zeer benieuwd naar de binnenkant. Het snijden ging lekker, met veel knispergeluiden. Daarom was het toch wel wat teleurstellend dat de binnenkant niet zo kruimig en met grote gaten was als ik had gehoopt. Compact was het, misschien zelfs een beetje doughy. Het was gelukkig wel heel lekker en de korst was mooi knapperig.

Toen we genoeg over brood en bloem en meel hadden gesproken, vroeg R of ik dacht dat het ging sneeuwen. Ik zei dat ik het hoopte, dat ik heel erg van sneeuw hield, van een goed pak sneeuw dat lekker bleef liggen als een mooie deken over de wereld. R zei dat ie het niks vond, omdat de mensheid na een dag ging klagen ‘Aah wat een vieze smurrie’. Ik zei dat we eindelijk de sneeuwschep naast de voordeur – waar ik soms nog weleens herfstblad mee schepte – weer eens konden gebruiken. R vond dat je sneeuw moest laten liggen, voor de kindjes, voor de sleetjes. Met de ouderen hoefden we in deze bijzondere tijd geen rekening te houden, die mochten de deur toch niet uit.

We gingen het zien.

Dode vingers

Ik stond tussen de bouillonblokjes, de pindakaas en de hagelslag en ik hoefde mijn rechterhand niet eens uit mijn handschoen te halen om te weten wat ik voelde. Een dode vinger. Ik had nog niet eerder een dode vinger gehad. Ik trok mijn handschoen van mijn hand, bekeek mijn spierwitte middelvinger tussen de rozige andere vingers en liet ‘m aan R zien. ‘Hm,’ zei hij en ging verder met op zijn tenen staan om van het bovenste schap het laatste pak hagelslag te pakken.

Ik deed mijn andere handschoen ook uit, legde de handschoenen in mijn mandje en begon met mijn linkerhand over mijn rechterhand te wrijven. Ik had het mijn moeder ontelbare keren zien doen. De zomer hoefde maar een beetje te wijken of de witte, gevoelloze vingers doken aan haar handen op als vroege wintergasten die pas laat in de lente weer vertrokken. Dat het verschijnsel zich aan mij openbaarde verontrustte me licht: het was niet best afgelopen met mijn moeder.

Mijn moeders dode vingers openbaarden zich steevast op de woensdagmiddagen waarop wij samen in de witte Kever, zij met haar voeten soepel boven de pedalen, ik op de achterbank tussen de dozen, de wekelijkse boodschappen deden. We begonnen onze fourageertocht bij TastToe, daar kwamen we heel vaak tegelijk aan met een enorm dikke mevrouw die samen met een hele grote herdershond in een Fiatje 500 reed. Daarna reden we door naar een nieuwbouwwijk waar eerst een noodsupermarkt stond die later een bakstenen Bas van der Heijden werd. Daar hadden ze vooraan grabbelbakken waar ik voor 99 cent pakjes bijzondere postzegels mocht uitzoeken. Vervolgens reden we door naar de markt.

Soms begonnen de dode vingers al voor de markt, dan zei mijn moeder: had de auto maar stuurverwarming. Ik herinner me het najaar waarin ik de Wehkamp-gids en de krantenadvertenties afspeurde op zoek naar een verwarmde stuurhoes, meestal een zacht nepbontje, die je via een draadje kon aansluiten op de sigarettenaansteker. Ik weet niet of ik al zakgeld kreeg, of klusjesgeld, het deed er ook niet toe, want toen ik een verwarmde stuurhoesadvertentie had gevonden en mijn broer om advies vroeg, zei hij: ‘Je denkt toch niet dat onze Kever een sigarettenaansteker heeft.’

Op de markt waren de witte vingers in ieder geval vaste prik. Vaak moest ik mijn moeder helpen de briefjes of guldens en kwartjes uit haar portemonnee te pakken om de koekjes of het stuk kaas of de zoute drop en de zakjes zwartwit voor mijn grote zus af te rekenen. Na de markt gingen we dan nog naar Albert Heijn. Hoe het bij Albert Heijn met de dode vingers was, weet ik niet meer, misschien was het er lekker warm en waren de dode vingers ook weer roze, ik las er altijd de Tina.

En nu liep ik dus zelf met een dode vinger in de Albert Heijn. We rekenden af, liepen naar huis en thuis was de rechter middelvinger nog steeds wit. Ik liet ‘m weer aan R zien. ‘Ja?’ zei hij. En toen pas snapte ik dat hij hier natuurlijk helemaal niks van begreep, lang voor zijn tijd toen dit allemaal speelde, een eeuwigheid geleden. Fris in de herinnering.

Stanleymes of scalpel

Bij brood twintig waren we even de tel kwijt. Het was een volkorenbrood waarin voor 840 gram aan ingrediënten was gegaan en dat na de oven 735 gram woog. Ik vertelde de vaste kijkers dat ik tegenwoordig een stanleymesje – gewoon uit de gereedschapskist, wel even schoongemaakt – gebruikte om het brood in te snijden voor mooie gringes, glimlachjes: je mocht niet verwachten dat het brood altijd vanzelf openbarstte. R zei dat je er ook een scalpel voor kon gebruiken. Zo hadden we allebei iedere keer nieuwe tips voor de kijkers.

Stokbrood

Dik doet ertoe. Daar kwam ik achter toen ik stokbroden ging maken. Ik heb geen stokbroodpan, op internet had ik al verlekkerd gekeken naar lange smalle zware terrineachtige ovenpannen met deksels, maar in het kader van ontspullen ging ik het eerst anders proberen. In de pannencarroussel staan één broodblik en twee cakeblikken en met een beetje fantasie kon je daar ook iets smals en langs inzien, als je ze met z’n drieën achter elkaar zette.

Dus maakte ik stokbrooddeeg, liet het rusten, verdeelde het in drieën, voorvormde er rolletjes van en vormde die rolletjes tot stokbroden en jaste over ieder brood met een stanleymesje drie schuine strepen. Ik stookte de oven met de drie blikken erin goed heet, legde de deegstukken in de blikken en dekte die af met een omgekeerde bakplaat waarop ik het gietijzeren deksel van mijn broodpan legde om alles goed gesloten te houden.

Het stokbrood in het broodblik was het beste gelukt. Die glansde na 25 minuten en was mooi gerezen. De twee stokbroden in de cakeblikken bleven plat en gingen niet glanzen hoe lang ik ze ook in de oven liet.

‘Wat is het verschil?’ vroeg R toen we aan tafel zaten met de stokbroden en een grote pan verse champignonsoep. Ik zei dat het broodblik een veel dikkere bodem en wanden heeft, dat die wellicht de warmte veel beter vasthoudt als het blik even uit de oven komt om het deeg erin te doen. Alles doet ertoe bij brood bakken. ‘Waarschijnlijk,’ zei ik, ‘vergt dit ook een maandje oefenen.’

Rustig kijken

Ik noteer een merel en een groenling. De eerste zit op de rand van de voertafel achter in de tuin, de tweede zit op de pergola tussen de kale sprieten van de blauwe regen. Een vink landt tussen de vijver en de voertafel en pikt wat in de rondte. Kom maar, moedig ik de roodborst aan, die net aan de verkeerde kant van de schutting op de takjes van een plant van de buurvrouw zit. De Turkse tortel vliegt over, keert om, landt even in de amberboom. En niet veel later een houtduif, vliegt ie alleen maar over en telt die dan wel of niet mee? Gelukkig, een landing op de schuttingrand, die hoort bij onze tuin, ik mag ‘m meetellen voor de Nationale tuinvogeltelling. De groenling in de blauwe regen is nu bijna bij de voedersilo. Er komt een koolmees aangevlogen, tegelijk met de groenling eet die wat uit de voedersilo. Een tweede koolmees komt de tuin in en inspecteert het blauwe vogelhuisje. Op de takken van de linker amberboom hipt een pimpelmees. Daar is dan eindelijk de roodborst. Hij paradeert wat rond de voedersilo, de groenling is inmiddels verdwenen, gaat dan op een tak van de hibiscus zitten. Er vliegt een ekster rond, hij landt op het dak van het tuinhuisje van de buurman en vandaar daalt hij af naar de voedertafel in onze tuin. Ik noteer ‘m. Is het half uur al om? Nog een paar minuten. Een heggenmus! Eerst landt ie op de schutting, dan verder naar de zaadjes die naast en onder de voedertafel liggen.

Ik vergeet bijna de eerste geopende knop van de clematis armandii te noteren: een witte bloem op de laatste dag van januari.

Tent

De tent was terug. Op het parkeerterrein voor de crossfitbox stond ie, net als eerder dit jaar toen we wel buiten mochten sporten maar niet binnen. Jongeren krijgen er in kleine groepjes les, volwassenen mogen er met maximaal twaalf mensen sporten, ieder op een eigen stationnetje. De wind kan er doorheen waaien, maar als het regent blijven we droog. Vanochtend was dat extra fijn, want het regende pijpenstelen, overal op de fietspaden onderweg lagen enorme plassen, ik had mijn kaplaarzen aangetrokken en mijn gymschoenen in een rugzakje gedaan.

In de tent was een wit bord waarop de oefeningen stonden, net zoals altijd, maar de trainer mocht niks uitleggen of verbeteren. Daarom ging hij binnen water koken en kwam hij met bekertjes thee naar buiten en gaf ons allemaal een bekertje. Ook was er muziek en iemand hield de tijd bij, net zoals altijd. Na bijna twee jaar trainen ken ik de meeste oefeningen en termen wel en als ik het niet weet dan vraag ik het aan iemand anders op het stationnetje naast me, of ik kijk af. Het was fijn om weer eens wat gewichten te tillen, mijn armspieren kunnen wel wat training gebruiken, de lichtste dumbell, die van tien kilo, is voor mij nog te zwaar. Gelukkig zijn er kettlebells, koeiebellen, van acht kilo. Die kan ik goed optillen en in de lucht steken.

Door de pijpenstelen regen en de waterballetten fietste ik terug. Thuis zette ik de gietijzeren pan in de oven en draaide de temperatuur naar 250 graden. Toen de oven heet was, gooide ik het brooddeeg in de pan, duwde de deur weer dicht, zette mijn wekkertje op dertig minuten en ging ik douchen. De geur van vers gebakken brood kringelde door het huis tot in de badkamer.

Het was bijna een normale ochtend.

Lunch, wandelen

Ik deed zeven romans in een tas, legde daar bovenop het broodboek van Niemeijer en reed 73 kilometer in noordoostelijke richting. Mijn routeplanner die ik voor vertrek checkte, voorspelde 51 minuten en geen files, en dat klopte perfect, als er niet bij de spoorwegovergang een luttele minuut voor mijn bestemming een goederentrein de weg blokkeerde. De roestige goederenwagons bewogen langzaam naar links, waar ik een rode locomotief zag, toen kwam de hele trein tot stilstand, om na een korte stilte naar rechts te bewegen.

Vriendin M bij wie ik om drie minuten over twaalf aanbelde, zei dat er ongeveer één keer per week een trein over het spoor rijdt, meestal open wagons vol nieuwe auto’s, maar soms ook dichte bakken met onderdelen, omdat iets verderop een enorm Europese distributiecentrum zit vanwaaruit de auto’s verder worden verspreid naar landen en dealers. En ja, het ging altijd zo met die trein, een beetje heen, een beetje weer, als je het trof stond je er minuten. Ik had het broodboek meegenomen omdat M al heel lang zelf brood bakt en ik haar wilde laten zien wie mijn broodgoeroe is. Voor het kneden gebruikt zij een broodbakmachine en zij stopt het deeg in een broodblik zonder deksel, maar het leverde ook heerlijk brood op. Tijdens de lunch proefde ik twee soorten.

Van de zeven meegenomen romans koos ze er drie. Eerder leende ze Grand Hotel Europa. Op een tafeltje naast de bank zag ik Zwarte schuur van Oek de Jong liggen. Ik vroeg haar wat ze ervan vond. ‘Matig,’ zei ze. ‘Weer zo’n man met zijn midlife kuren, de vrouwen komen er bekaaid af.’ Ik mocht het meenemen om in mijn boekwinkeltje te verkopen, daar ging ik mijn eigen exemplaar ook verkopen, want ik vond het ook matig.

We namen de wereld door, de politiek, het was fijn om weer eens live iemand te spreken die er precies hetzelfde instond, al was het niet bevorderlijk voor ons gemoed, want zo’n beetje alles boorden we om en om de grond in. Haar man had corona gehad, één dag voor kerst werd het ontdekt. Hij was de eerste in de instelling voor jong dementerenden waar hij alweer een poos woont. Hij moest er weg, dat was het beleid, de instelling valt onder een grotere koepel en er was één plek aangewezen waar alle coronapatiënten uit alle huizen werden verzameld. Haar man wilde niet. Het werd drama. M moest uiteindelijk komen om hem te kalmeren, aan te kleden en te vervoeren, zij helemaal ingepakt in zo’n plastic pak, handschoenen, dubbel mondmasker. Al snel kon hij terug, want er bleken veel meer mensen besmet. Wonder boven wonder was M zelf niet besmet. De gevolgen verspreidden zich als een olievlek. Alle medewerkers moesten hun kerstafspraken afzeggen, iedereen moest zich laten testen en in quarantaine. M’s kersteten met haar zonen ging niet door. De zonen bereidden daarop een viergangenmaal voor haar, zetten dat voor haar deur, reden terug naar het huis van de oudste zoon, en via Zoom aten ze alsnog met elkaar.

‘Er zou veel meer met de mensen moeten gebeuren,’ zei M over de plek waar haar man verblijft. ‘Veel meer beweging, veel meer muziek, veel meer therapie, veel meer structuur, dan zouden ze er veel minder zorg aan hebben.’ Maar er was nog geen één fte voor beleid. M had geknokt voor straalkachels. Na de eerste lockdown mochten bewoners hun familie en vrienden alleen op het grote buitenterrein zien. Er was een terras met stoelen, er kon binnen koffie en thee gehaald worden. Na een half jaar en met al een flink deel van de herfst achter de rug waren die heaters – die ieder mens met twee muisklikken vandaag bestelt en overmorgen in de tuin heeft – er dan eindelijk, zodat bewoners van wie de meesten niet de jongsten zijn, niet in de kou hoefden te zitten.

Na de lunch gingen we wandelen. M woont vlakbij bos en hei en landgoederen. Het was er prachtig en op deze doordeweekse dag niet druk. Wel hoorden we de hele tijd de snelweg. Na de wandeling en nog een kopje thee reed ik terug, weer zonder files, weer in 51 minuten, maar stil was het niet. Druk, zo mocht je het best noemen midden in deze lockdown- en avondklokperiode.