Uienboer

Tegen mijn broer zei ik dat ik de uienteelt maar saai vond. Afgelopen herfst stopte ik een stuk of tien, twintig kleine rode uien in een paar moestuinbakken en nu was ik bezig de eerste van een stuk of tien, twintig grote rode uien te oogsten. Er hingen al vijf rode uien met loof in het klimnet te drogen. Nee, dan de knoflookteelt, zei ik. Je stopt één teen in de grond en je krijgt er een hele bol voor terug. Ja ja, saai, zei mijn broer en ik hoorde hem nadenken. Zag ik al bolletjes op het uienloof? Zeker zag ik bollen, de uienbak leek het Kremlin wel. Nou, zei mijn broer, als je het loof en die bollen goed laat afsterven, en je wint het zaad, dan kun je je hele achtertuin vol uien zetten, en de tuinen van al je buren ook.

Toen we uitgekletst waren – over de graanprijs die naar verluid even veertig cent de kilo had aangetikt; over dat het natuurlijk ‘best grappig’ was zo’n hoge graanprijs al was de oorzaak verre van grappig, maar dat je die prijs uiteindelijk in de prijs van allerlei andere gewassen en zaken weer grotendeels terugbetaalde –, liep ik met mijn plantenloep naar de uien. Ik had die loep bij mijn wilde plantencursus gekregen en sindsdien viel ik regelmatig als Alice in Wonderland in een wondere wereld.

Ik hield de loep een paar millimeter boven een uienbol waarvan het witte vlies al was opengebroken en hing mijn oog een centimeter boven de loep. Er verscheen een boeket van honderd, misschien wel tweehonderd minibolletjes. Ieder bolletje was zorgvuldig verpakt in crèmewitte bloemdekblaadjes met op regelmatige afstand grasgroene verticale strepen.

Ik ging wachten tot alles plat lag en geel was. Dan werd ik uienboer.

Zacht gepiep

Weken geleden had ik jonge koolmeesjes zien rondhopsen in de tuin en op het terras; nog wat onvast op de pootjes piepten ze om vader en moeder die af- en aanvlogen om het kroost ook buiten het nest nog te voeren. Waar het nestje was geweest wist ik niet, in ieder geval waren de vogelhuisjes in onze tuin onbezet gebleven.

Toen die jonge koolmeesjes alweer weg waren, begon het toch nog, in het grijze huisje aan de voorste paal van de pergola. De blauwe regen was uitgebloeid, frisgroen blad vouwde zich als een zonnescherm boven en rondom de ingang van het huisje en twee koolmezen begonnen af en aan te vliegen.

Als ze het huisje verlaten om in buurtuinen op zoek te gaan naar eten doen ze dat in een rechtstreekse vlucht, komen ze terug dan maken ze een tussenstop op de randen van de schutting. Ik denk dat ze kijken of de kust veilig is, dat ze niet willen verraden waar ze met dat lekkers naartoe gaan. Laatst zat er een houtduif op de schutting, een van de koolmezen kwam met een hapje aangevlogen en ging iets verderop zitten. Pas toen de houtduif met een kleine vlucht op de houtsnippers naast de vijver in de tuin landde, vloog de koolmees het huisje in.

Langs de paal met het grijze huisje klimt een clematis viticella. Hij bloeit dit jaar overvloedig met voortdurend nieuwe grote klokvormige roze bloemen. De knoppen zijn aantrekkelijk voor luizen. Als ik een zwart luizentreintje op een bloemstengel zie, pak ik de plantenspuit, pomp die onder grote druk en spuit met een harde waterstraal de luizen weg. Inmiddels hebben de mieren de luizen ook ontdekt en verzorgen die het opruimwerk.

Toen ik afgelopen weekend voorzichtig de knoppen controleerde, hoorde ik boven mij zacht gepiep.

Geen-zorgensoep (2)

Later zou ik de dierbare over wie ik me de afgelopen maanden te veel zorgen maakte van harte bedanken. Zonder haar, zonder haar niet aflatende bijzondere omstandigheden, zou ik deze stoomcursus ‘geen zorgen maken over dingen waarop ik geen invloed heb’ nooit in zo’n rap tempo hebben kunnen doen. Of nee, ik ging haar niks vertellen. Zuiver gezien had zij er niks mee van doen, ook haar bijzondere omstandigheden niet. De zorgen waren mijn probleem.

Ze was niet de eerste, andere dierbaren waren haar voorgegaan. Verscheen hun telefoonnummer op mijn scherm dan ging ergens in mij de paniekknop automatisch aan, zelfs als ze voor iets leuks of onbenulligs belden. Ik toverde net zo makkelijk beren op de weg als ik ademhaalde. De gedachte dat ik nú, onmiddellijk, iets moest doen, beukte altijd tegen mijn hersenpan. Met name ’s nachts hadden de potentiële rampen die volgden op de problemen ruim baan om samen met die beren urenlang door mijn hoofd te stampen.

Maar ik ging er niet over. Ik was niet de eigenaar van andermans situatie, ik wist niet of de ander de situatie net zo problematisch vond als ik, en net zoveel vrees had voor de mogelijke gevolgen. Mijn ratio kon het allemaal bedenken. Maar tussen weten en ingeslepen reactiepatronen gaapte lange tijd een oceaan. Toen R onlangs op zo’n groot berenmoment adviseerde om mijn dierbare in haar sop gaar te laten koken en ik zijn advies dankbaar omarmde en tegelijk de paniek en vrees uit mij weg voelde rollen, wist ik dat de oceaan een sloot was geworden.

Ik liet de dierbare natuurlijk niet los.

Pax

Ik zette Pax-kasten in elkaar. Mensen die Ikea kennen weten wat dat zijn. Het was de derde keer in mijn leven dat ik dat deed, altijd in slaapkamers die niet de mijne waren. Omdat er tussen iedere klus een paar jaar zit, merk ik de kleine veranderingen. Bij de zijpanelen hoef je niet meer na te denken wat de boven- en onderkant is, ze hebben gewoon een zelfde set gaten aan allebei de kanten geboord. En om de deuren te stellen, bijvoorbeeld een beetje omhoog of omlaag, hoef je niet meer de schroeven waarmee je de deur net aan de kast hebt vastgemaakt los te draaien. Nee, er is een apart schroefje en een apart plaatje achter het scharnier dat omhoog en omlaag kan. Mooi natuurlijk, maar wel jammer dat dat aparte schroefje een torx-kop met een zespuntige ster als insparing heeft. Ik had alleen de kruiskop bij me voor de elektrische schroevendraaier, het setje torx-opzetstukken lag thuis.

Thuis ben ik al vier jaar spullen aan het wegdoen, ook kasten. Met name ook kasten. Dat bespoedigt het wegdoen.

Ik denk dat dit de laatste Pax-kasten zijn die ik in elkaar heb gezet.

Moord op de moestuin

‘Iemand doden, dat stelt niets voor. Je moet observeren, bespieden, nadenken, veel nadenken, en als het zover is, je hoofd leegmaken.’ Met deze zin opent de roman Anomalie van de Franse schrijver Hervé Le Tellier. Aan het woord is Blake, een van de hoofdpersonen.

Is het zo eenvoudig?

Ik zag een muis. Het was iets na half tienen, het schemerde. Er zat misschien een meter tussen mij en de muis. En dubbelglas. Ik zat op de bank, de muis was op het balkon, klom de bak met radijs in, stak over naar de bak met palmkool, trippelde door de bak met Aziatische pluksla en klom toen als een volleerde acrobaat het klimnet met de peulen en sugarsnaps in. Met gespreide poten was zijn achterlijf dik te noemen, vette billen, maar dat hinderde hem niet om zich naar de malse tippen van de sugarsnaps te spoeden. Er vielen veel kwartjes. Bijvoorbeeld wie een paar maanden geleden die holletjes in de aarde van de pas gezaaide sugarsnaps veroorzaakt had, waarom de sugarsnaps zo slecht waren opgekomen, waarom er afgeknabbeld blad had gelegen.

Ik stond op van de bank, sloeg met mijn vuist op de ruit ter hoogte van de muis. De muis stopte kortstondig zijn maaltijd, keek mij aan, verblikte of verbloosde niet, ging verder. Ik opende de balkondeur, begon heftig aan de klimnetconstructie te schudden. Het was te donker om te zien of en wanneer de muis de benen nam. Er was de lichte vrees dat de muis naar binnen zou glippen.

Met behulp van internet dacht ik na. De overgevoelige muizenneus zou de geur van munt niet aankunnen. Ik zette de bak met munt op de plek van de Aziatische pluksla en wachtte af. Een avond of wat later was de muis er weer, Nieuwsuur was net begonnen. De muis klom de bak met radijs in en maakte de oversteek naar de palmkool. Zonder een getergde trek van de gevoelige neusvleugel trippelde de muis dwars door de bossen munt naar het klimrek.

Mensen zeiden: waar één muis is, zijn er twee. Een avond of wat later zag ik twee muizen, op hetzelfde tijdstip, op dezelfde plek. De ene joeg de andere weg.

Ik ging naar de dierenwinkel. Misschien was mijn vraag ongebruikelijk maar hadden ze…? De vrouw haalde een doos van onder de toonbank, half gevuld met muizenvallen. Doe er maar twee, zei ik. Pindakaas, zei de vrouw, dat schijnt nog beter te werken dan kaas. Ik smeerde pindakaas op de plek waar ik kaas zou stoppen, zette de vallen op scherp, plaatste er eentje op de looproute die ik vermoedde, en eentje in de palmkoolbak.

Een avond of wat later was de muis er weer. Ik zat eerste rij voor de moord met voorbedachte rade die aanstonds was. De muis klom de radijsbak in, stak over naar de palmkool, maakte een bocht om de val heen, hield toen zijn pas in, draaide zijn neus naar de pindakaas, liet zijn neusvleugels neurotisch bewegen, haalde zijn neus op en trippelde verder. ‘Die muis is ook niet gek,’ zei R die naast me op de bank zat.

Een dag later verving ik de pindakaas door kaas. Ik inspecteerde het balkon op rommel. Nee, een nestje kon hier niet zijn. De muizen moesten van beneden komen. Ik keek nog eens goed en zag hoe de schuin aflopende tussenmuur als een rode loper de tuin met het balkon verbond. Andere moestuiniers die hun bakken op de grond hadden, verloren ál hun groenten aan de slakken. Ik moest ook maar eens leren dat dit erbij hoorde. Ik ging de planten water geven, haalde de muizenval uit de palmkoolbak, zette die tussen de wilde bossen van de wintererwt, en liet ‘m daar staan. De andere val zette ik bovenaan de rode loper. Ik keek ’s avonds niet meer naar de moestuin.

En toen was het toch zomaar raak. In allebei de vallen. In de ene val had de klem de muizenschedel in het midden doorklieft, in de andere val zat de klem hoog op de neus. ‘Ga je ze met val en al weggooien?’ vroeg R. Nee, nu ik eenmaal had gedood – was ik nu een jager, een stroper, of moest ik het gewoon Moord op de moestuin noemen naar de roman van Nicolien Mizee? – moest ik niet bang zijn voor nog meer vuile handen. Wie weet had ik de vallen nog een keer nodig. Ik deed zakjes om mijn handen en pakte de muis van wie de schedel overdwars gekraakt was op. Het was even eng, zo’n slap, levenloos lijfje. Voorzichtig maakte ik de klem los, vouwde het zakje van mijn hand over de muis. Ik stopte het in het tweede zakje en gooide het in de kliko. Met de andere muis deed ik hetzelfde. De vallen spoelde ik af onder de hete kraan.

Blake moet na zijn eerste moord op de plaats delict ongelooflijk nodig plassen. Dat overkomt hem bij alle volgende moorden niet meer.

Tien vierkante meter

Hôjô is Japans en betekent tien vierkante meter, ki betekent aantekeningen. Hôjôki – Aantekeningen uit mijn hut is de titel van een klein boekje gevuld met de gedachten van de Japanse boeddhistische monnik Kamo no Chômei. Hij schreef het omstreeks 1212, vier jaar voor zijn dood op circa zestigjarige leeftijd. De auteur groeide op in een vooraanstaande familie, werd opgeleid in de schone kunsten van muziek en literatuur, was een poos hofdichter aan het keizerlijk hof, leefde lange tijd in een huis dat hij van zijn oma geërfd had, verloor zijn positie, bekeerde zich van het sjintoïsme tot het boeddhisme en trok zich steeds meer terug van het aardse gewemel om als monnik te eindigen in een hut van tien vierkante meter in de bergen niet ver van de toenmalige hoofdstad Kyoto.

Komo leeft in een tijd vol aardbevingen, overstromingen, droogte, mislukte oogsten, honger en branden die huizen en hele steden, in de as legt. Ook mensen ziet hij komen en gaan, geboren worden en sterven. ‘Ik begrijp dus niet dat zij zoveel spenderen aan hun woningen.’ In Hôjôki beschouwt hij het leven in het algemeen: ‘Zwaar is het bestaan, leven en huis zijn eindig, zonder blijvend nut’, en ook dat van zichzelf: ‘Meer dan dertig jaar heb ik tobberig geleefd, met pijn in mijn hart. Door die tegenslag zag ik hoezeer het leven onbestendig is.’

Als hij de vijftig gepasseerd is, bouwt hij een laatste schuilplaats, een hut van tien vierkante meter en twee meter hoog, honderd maal kleiner dan zijn vorige hut. Hij zet het het zomaar ergens neer op wat funderingsstenen, met een zeer licht dak en verbindingen van ijzeren klampen. Als de plek hem niet bevalt, kan hij zo weer verhuizen. Voor de verhuizing zou hij slechts twee wagens nodig hebben en wat geld om de trekker van de wagens te betalen. Onder een afdakje ligt zijn brandhout en er is een terras van bamboestokken. Slapen doet hij op de pluimen van varens. Omdat hij graag musiceert heeft hij in zijn hut ook twee instrumenten. Met een pijp vangt hij in een bekken van stenen water op. Sprokkelhout haalt hij uit een nabij bos. Er zijn planten, bomen en naar het westen een vrij uitzicht.

Hij mediteert, reciteert, leest, schrijf verzen en musiceert – ‘Slechts een amateur ben ik en daarom speel ik voor niemands genot. Maar dat geeft ook niks, want ik speel en dicht alleen voor eigen plezier’ –, en als hem dat te zwaar wordt rust hij uit, er is niemand die er wat van zal zeggen.

Onderaan de berg woont een toezichthouder in een houten hut. Zijn zoontje komt zo nu en dan bij Komo op visite en dan maken ze zwerftochten, de monnik zestig, de jongen tien. Ze plukken rietscheuten, veenbessen, yamknopjes, postelein. Bij mooi weer klimt hij de berg op en staart hij naar de lucht boven Kyoto. ‘Het mooie uitzicht is eigendom van niemand, dus genieten maar!’ Of hij loopt berg op, berg af, bezoekt tempels verderop, geniet van kersenbloesems, de herfstkleuren, plukt topjes van varens, zamelt vruchten die hij de ene keer aan Boeddha offert, de andere keer zelf opeet.

Hij leeft tussen de dieren, de natuur, de geluiden, vanuit de stad verneemt hij over de mensen die gestorven zijn, de huizen die door vlammen zijn verteerd. ‘Maar ik leef rustig en zonder enige angst in mijn kleine hut, die ik slechts voor mezelf bouwde, niet voor anderen. Omdat ik mijzelf en de wereld ken, wens ik niets, maak mij niet druk. Ik verlang slechts rust en heb daarbij gelukkig geen last van verdriet.’

Hij vindt dat een mens beter vriendschap kan sluiten met muziek of met de natuur dan streven naar vriendschap met rijkaards of met mensen die iets voor hen kunnen doen. ‘Je eigen knecht zijn is maar het allerbeste.’ Bij een klus neemt hij zichzelf in dienst, dat vindt hij beter dan letten op iemand anders. Of iemand anders kracht gebruiken. Moet hij ergens heen, dan loopt hij in plaats van zich druk te maken over paard, os of wagen. ‘Ik deel mijn lichaam in tweeën en zo kan ik al het werk best aan. Mijn beide handen zijn mijn knechts en mijn benen zie ik als wagen.’

Zowel zijn kleding als zijn voedsel houdt hij zo simpel mogelijk. Van plantenvezels zijn zijn kleren, zijn dekens van ruwe hennep, materialen die voorhanden zijn. Hij houdt zich in leven met asterblaadjes en boomvruchten. Mensen mijdt hij, zodat hij zich voor zijn uiterlijk niet hoeft te schamen, al doet hij dat wel als hij soms naar de stad gaat. Eenmaal terug heeft hij medelijden met de stadse lui die zich druk maken over zinloze aardse beslommeringen.

Als boeddhist gelooft hij dat kostbare schatten geen waarde hebben als de geest niet rustig is. De kern van de leer van Boeddha is duidelijk: hecht je nergens aan. Dat hij van zijn hut houdt, beschouwt hij als een tekortkoming. En over zijn armoe twijfelt hij, is dat geen verholen trots? Zijn hart heeft geen antwoord op die vragen en twijfels. Hij kan slechts Boeddha aanroepen en dat is het.

Mijn eerste zelfstandige woonruimte telde tien vierkante meter. Er was alleen koud water. Ik maakte mijn eerste aantekeningen over het leven. Ik zal nooit vergeten hoe gelukkig ik daar was.

Geen-zorgensop

Ik oefen al een tijdje in het me geen zorgen maken over zaken waar ik geen invloed op heb. Ik repeteer op dit moment keihard. Soms denk ik dat ik vorder, dan slaap ik een nacht redelijk en denk ik dat de zorgen over de dierbare onder controle zijn. Er is de strategie van schuivende panelen (er doemen voortdurend nieuwe problemen op waarbij de eerste verbleken en ik glimlachend denk: heb ik me dáár druk over gemaakt?). Er is de strategie van tijd. Heb ik het druk, dan is er weinig ruimte voor rondspokende zorgen. En er is de strategie van concurrerende zorgen, bijvoorbeeld de praktische drukte rondom mijn gewonde zwager.

Maar toen deze week weer iets nieuws oppopte, iets wat ik niet had zien aankomen, iets zo groot – gezondheid die ernstig in gevaar is, evenals de gezondheid van een weerloos wezen, iets waarvoor de oplossing voor het grijpen ligt mits de dierbare een theorie loslaat –, bleken mijn vorderingen van luciferhout en kolkten de zorgen naar binnen als een stormvloed.

‘Wat zou jij doen?’ vroeg ik R. ‘Niks. Haar in haar sop gaar laten koken.’ Het was zo’n zin die de vloedgolf net zo abrupt deed wegtrekken als die was opgekomen. Toch verried mijn gezicht nog beleefd ongeloof. R zag het. ‘Hoevaak hebben wij niet gezegd dat ze dit en dit en dat moet doen, want anders zijn dit en dit en dat de gevolgen? Ze heeft zich toch nooit wat van jouw adviezen aangetrokken? Laat de arts maar ingrijpen.’

Met een verlicht gemoed ging ik mijn dingen doen en R de zijne. Een paar uur later kwam ik R tegen in de keuken. Hij zei: ‘Je laat X toch niet in haar sop gaar koken? Jij toch niet?’

Ik glimlachte.