Opleving

Even dacht ik dat het over was, met de courgettes en mini-komkommers, zo dor en droog zagen de planten eruit, maar nu leeft alles weer op. De komkommer begint zelfs weer dicht bij de grond met nieuwe bloemetjes, en ook de courgette heeft drie nieuwe vruchten gevormd. Of de onderste bestoven is, weet ik niet, toen de tweede bloem zich opende was er geen mannelijke bloem, die was er gisteren wel, toen heb ik de vrouwelijke bloem alsnog geopend en het stuifmeel met een penseeltje overgebracht. Met de derde vrucht zal het goed komen. Haar bloem stond vanochtend open en er was ook een verse mannelijke bloem die heldergeel stond te stralen.

Volgend seizoen ga ik voor minstens twee courgetteplanten. En vooruit, twee minikomkommerplanten kunnen er dan best naast.

Groenteschat

En dan is daar plotseling een grote wijnrode tas, meegegeven aan R voor mij vanuit dat lichte dorp aan het water dat nu R’s nieuwe werkplek is.

Het is al laat dus pak ik mijn telefoon, zet de zaklamp aan en schijn in de tas. Wat ik zie is geen kinderspel. Naast een oranje pompoen ligt een heuse patisson, de Rolls-Royce onder de bijzondere groenten. Veel mensen denken bij het zien van een patisson aan een pompoen, en je kunt ‘m ook wel klaarmaken als pompoen, maar hij is verwant aan de courgette, en daarmee oneindig verfijnder van smaak. Bij de groentevrienden hebben ze ‘m heel af en toe, in het wekelijkse biologische groentekrat uit de Hoeksche Waard zat ie tot nu toe één keer. Toen roosterde ik de patisson samen met stukken aardappel en besprenkeld met olijfolie en komijnzaad in de oven en at het met in harissa gemarineerde makreelfilets die ik even kort op de huid bakte. Ik heb het recept bewaard, zo lekker vond ik het.

Ik schijn opnieuw met mijn telefoon. Tussen de pompoen en de patisson liggen vier kleinoden die ik nog nooit heb gezien, laat staan geproefd: mini-paprika’s met de kleur van pure chocolade. Het is overduidelijk dat alles in deze tas met liefde geteeld is in een moestuin waarover ik niks ga verklappen. De teler weet het, ik weet het. Da’s genoeg.

Gedoe

Er is gedoe, een rel. Hebben we er nog niet over gehoord, vraagt de vrijwilliger met het zwarte shirt van Breda Photo in Club Soho waarvoor we net onze fietsen hebben geparkeerd. Er gaan foto’s weggehaald worden na anonieme Amerikaanse protestbrieven. Het staat zelfs in de krant. Ze laat me het AD zien.

‘Toch niet Pier 15?’ roept H, met wie ik ooit veertig procent van een lagere schoolklas vormde, en die voor Breda Photo de lespakketten voor de Bredase basisscholen vormgeeft. Ja, Pier 15, de skatehal met op de vloer werk van kunstenaar Erik Kessels, lees ik in de krant. Uit achthonderd internetfoto’s van vrouwen en mannen die fillers in hun gezicht hebben laten spuiten of ander plastisch snijwerk hebben ondergaan heeft hij via een algoritme zestig gezichten samengesteld. Ook een soort plastisch snijwerk zou je kunnen zeggen. Destroy My Face heet het werk en dat is precies de bedoeling, dat de skaters de zestig foto’s langzaam vernietigen met hun boards en wieltjes. Het werk zou aanzetten tot geweld tegen vrouwen, zegt de vrijwilliger. ‘En Breda Photo is gezwicht?’ vraagt H. Nou, het is niet helemaal duidelijk. Maar verschrikkelijk is het wel. ‘Wat hebben wij van doen met een stelletje hysterische Amerikanen?’

In de Grote Kerk, waar we vandaan komen, had niemand het over de rel. We bekeken werk van Chinese fotografen, ik zag mevrouw Mak, een van de laatste zogenaamde ‘zelf-kammende’ vrouwen – vrouwen die besloten niet te trouwen en een onafhankelijk leven op te bouwen. Mak was onder andere kindermeisje van Kurt Tong, en Kurt Tong is de fotograaf die het leven van zijn vroegere kindermeisje met beelden heeft proberen te reconstrueren. Mak is inmiddels een hoogbejaarde vrouw met de jeugd nog altijd in haar ogen en wangen en heeft slechts acht foto’s van zichzelf. Ze geeft niks om bezit, we zien vijf gebutste kommetjes en twaalf tunieken, de bloesjasjes hangen naast een foto van een stapeltje broeken, hooguit zes. ‘Maar ja,’ zegt H – met wie ik vaak praat over het leegmaken van onze kasten, kamers, huizen, hoofden –, ‘zijn er ook nog ergens twaalf hemdjes, twaalf onderbroeken, twaalf paar sokken, twaalf jasjes, twaalf sjaals?’

Als we iets later op de grote vlakte lopen bovenop de parkeergarage achter het theater en het klooster zonder nonnen maar met casino, en kijken naar foto’s van ingepakte ijsbergen van de Furka-pas in Zwitserland in een vergeefse poging het ongeremde wegsmelten te vertragen, komt H een collega-medewerker tegen. ‘Heb je het gehoord?’ vraagt de collega. Zij weet meer. Het lijkt erop dat Pier 15 is gezwicht vanwege geld. Het skatepark is bijna helemaal afhankelijk van sponsoren en een hele grote heeft gedreigd de geldkraan dicht te draaien. ‘Wanneer wordt het weggehaald?’ vraagt H. Misschien nu al, het is bijna vijf uur. Da’s jammer, H had het me graag laten zien.

We eten wat bij de Pastakantine en dan stappen we weer op onze fietsen. Het is nog altijd warm. H wil me de rafelranden van Breda laten zien, de plek waar fabrieken leeg staan: failliet of vertrokken naar grotere havens dan de havens hier aan de rivier de Mark. Tot een projectontwikkelaar er brood in ziet, zijn de lege fabrieken en terreinen nu broedplaatsen van creativiteit, innovatie, theater, ontmoeting. H is verrast dat zelfs op deze doordeweekse avond de STEK open is: tussen twee panden door zie ik een open ruimte, een klein dorp van stoelen, banken, tafeltjes, zelf getimmerde cafe’s, restaurantjes, werkplaatsen, mensen die kletsen, drinken, eten, the place to be.

‘We fietsen nog even door,’ zegt H. We parkeren onze fietsen vlakbij Pier 15. Ook daar is het gezellig, met een enorm ruim terras, jonge mensen, sommigen met één voet op de skateplank. We gaan door een half geopende deur de hal binnen, niemand die ons tegenhoudt, een trap op, langs een lege bar en daar ligt onder onze voeten de skatevloer met alle zestig portretten nog gewoon op die vloer geplakt, een handvol jonge mensen oefent zijn kunsten op de vier wieltjes, op de kopse kanten van de vloer, daar waar wordt gekeerd hebben de wielen hun sporen achtergelaten op de foto’s. Nergens wordt aanstalten gemaakt om deze foto’s die versmolten lijken met de vloer, de richels en ramps, weg te halen.

Ik bekijk de geconstrueerde gezichten, de mislukte lippen, de uitstulpingen in voorhoofden en wangen. Ik kan me geweld voorstellen, bij voorkeur juridisch: tegen de lieden die de fillers vermarkten en het mes en de spuiten in ongeschonden gezichten zetten.

Bruine bonen

Mijn broer had zijn bonen dit jaar los geschoffeld, zei hij. De rode? Nee de bruine, de kidneybonen waren nog niet zover. En zonet had hij die losgeschoffelde bonen opgerikt. Ik geloof dat hij dat woord gebruikte. Ik hoefde het woord niet te kennen om te weten wat hij bedoelde, hij had de boel op rijen gelegd, zoals je met afgemaaid gras doet. Rijen van zes meter breed, zei hij, precies de breedte van de bek van zijn oude combine. Met de tropische dagen op komst ging hij kijken of alles wat hij had bedacht ook ging werken.

Tot vorig jaar reed hij zijn nieuwe combine, die met cabine, gewoon de bonen in alsof het tarwe was, liet de bek dalen tot net boven de grond waar de maaibalk de bonen los begon te snijden van de wortels, en de draaiende tanden van de haspel vervolgens alles naar binnen werkten: peulen, verdord blad, stelen.

Verderop in de machine worden de bonen van de rest gescheiden, die rest poept de combine er verhakseld aan de achterkant weer uit. Maar er zijn altijd onrijpe peulen, groene peulen, nog vol nattigheid, en nattigheid en een combine is een slechte combinatie, dan loopt de boel vast. En bij een tropisch temperatuurtje zit je niet te wachten op gedoe, stilstaan, zoeken naar het euvel, repareren, ontdekken dat er iets kapot is gedraaid en dat dat onderdeel nergens op voorraad is.

Door de bonen eerst los te schoffelen en even te laten liggen, sterven ook de groene peulen af, legde mijn broer uit. Misschien had hij de bonen voor hij ze ging oprikken nog een keer om geschud, zoals koeienboeren doen met hun gemaaide gras. Daar had hij vast nog wel een machine voor staan, van vroeger, toen onze opa nog een gemengd bedrijf had.

‘Kan de bek zo laag dat je die dooie bonen met alles erop en eraan kunt optillen?’ vroeg ik. Ik bedoelde: schep je dan niet allemaal grond de machine in? Grond is weliswaar minder erg dan nattigheid, maar voor grond is de machine niet gemaakt. Mijn broer zei dat hij een constructie aan de oude combine had gemaakt, en dat die het klusje moest klaren.

Vandaag, op de eerste tropische dag van deze week, krijg ik een filmpje. Mijn broer zit op de oude combine, hij duwt wat hendels naar beneden en daar gaat hij. Er is geen maaibalk meer en ook geen haspel met tanden. In plaats daarvan zie ik een enorme rol met rijen haaientandjes die achterwaarts draait en zo het losliggende bonengewas optilt en over die rol transporteert naar de vijzel erachter waarna alles verder gaat zoals altijd.

Slim.

De goede vriendin

Vanwaar ik sta heb ik goed zicht, zowel op de preekstoel en de tafel met het bloemstuk met minstens vijftien verschillende bloemen waarvan de kleuren afspatten, als op de ingang achterin. Daar is het net de rode loper van Cannes, iedereen wandelt op gepaste afstand van de andere gasten en op gezette plekken wordt halt gehouden met niemand anders in beeld. Eerst voor de vrouw met het zachte, open gezicht en het klembord met daarop de gastenlijst die mij eerder vanochtend al zo aardig ontving en vroeg of ik vandaag misschien ook ging spreken. Ze had vorige week gekeken naar de afscheidsdienst van R, daar had ik gesproken, vandaar. Ze hoopte het.

Nu staat de tuinbaas met F op die plek, de tuinbaas zegt iets, de vrouw met het klembord begint te zoeken op haar lijst. Ja, in orde, een knikje, een glimlach. Door naar de volgende fotograaf, ook al zo’n aardige mevrouw, die iedereen wijst op het slimme desinfectie-apparaat dat vanzelf begint te sproeien als je je handen eronder houdt, hier snappen ze dat je beter gelijk goed kunt investeren dan een poosje aanmodderen met handpompjes waar iedereen met zijn vieze tengels op moet drukken.

De volgende stop is onder het orgel. Er ligt nog een heel gangpad tussen F en de tuinbaas en mij, maar de tuinbaas ziet me al. Ze lacht, ik zwaai. Ze wachten op de aardige man met het gele hesje met achterop BHV – ik graaf en dan weet ik het weer, in alle kantoren waar ik ooit een bureau had, moest op iedere gang en in ieder vleugel minstens één BHV’er aanwezig zijn die voor deze taak minstens een paar keer per jaar afwezig was voor de verplichte EHBO-cursus – die hen een plaats gaat wijzen.

Ik kijk omhoog. Door de moderne glas-in-loodramen links stroomt zoveel licht dat het binnen zelfs lichter lijkt dan buiten. R heeft het er al vaak over gehad, de lichtheid van dit pittoreske kerkje, en hoe goed dat voelt. In de muur rechts zit een glas-in-lood dat herinnert aan het gifschandaal dat dit dorp veertig jaar geleden trof. In de onderste twee deelramen kruipt een groengeel monster met mannenkop, in de vier deelramen daarboven staan de huizen van dit dorp, en daarvoor en daarboven in helderblauw en wit en met vleugels en een rode speer zweeft een vrouw die het monster vernietigt. Zijn er straks nog genoeg kerken voor al die ramen die ons herinneren aan onze omgang met de aarde?

De tuinbaas en F komen weer in beweging. De man met gele hes wijst naar een bank halverwege en naar de stoelen voorin. Nee, de tuinbaas en F zijn niet bang, een stoel vooraan is prima. Ze krijgen de stoelen naast mij. Da’s gezellig. De tuinbaas zegt dat ze straks nog naar een condoleance moeten, dat ze misschien geen tijd hebben om R na afloop te feliciteren. Ze geeft me een ongebleekt envelopje, dat is een van haar handelsmerken, en een appel. ‘De eerste uit eigen tuin,’ zegt ze. Wil ik die dan aan R geven? Ik knik, stop de envelop en de appel in een van de zakken van mijn jas die over de stoelleuning hangt.

Ik hoop dat de tuinbaas en F niet eerder weg hoeven, want wat de vrouw met het klembord al wel weet maar de tuinbaas nog niet, is dat ik na afloop van deze dienst – waarin R verbonden gaat worden aan deze lichte plek aan het water, aan deze mensen over wie een ingewijde later zal zeggen: ze zijn hier een stuk liever – ga spreken en haar ga noemen.

Zeven jaar geleden, toen R voor het eerst begon aan zijn nieuwe beroep, sprak ik ook, maar toen was het zo druk met toespraken dat iedere spreker maximaal drie minuten kreeg. Toen had ik alleen ruimte voor de bliksemschicht. Maar een alles in wit licht zettende bliksemschicht op de Wartburg in Eisenach wrikte weliswaar R’s droom, R’s roeping – hoe je het maar noemt wat zich in veel mensen roert en waar ze maar zo moeilijk gehoor aan geven – tot leven, maar er was nog een zetje nodig en die kwam van de tuinbaas. De tuinbaas zei, veertien jaar geleden toen ze met R door de Kunsthal wandelde: waarom ga je het niet gewoon doen?

Ogenschijnlijk een zinnetje van niks, maar toch krachtig genoeg om een leven honderdtachtig graden te laten draaien. Waardoor we nu op deze plek zijn, met al die aardige, lieve mensen die verwachtingsvol uitkijken naar R. Waardoor de vrienden en familieleden die van heinde en verre zijn gekomen, verrast kunnen zeggen: zo komen we nog eens ergens.

In de toespraak heet de tuinbaas natuurlijk niet tuinbaas, de tuinbaas is haar alterego op deze plek. Voor Robs roeping is ze de goede vriendin.

Staartmezen

De staartmezen zijn er weer. Ze hangen met z’n tweeën, drieën, vieren, en daar komen nummer vijf en zes ook nog, in de zomeruitlopers van de blauwe regen, daar waar de bloemen zaten, maar nu alleen nog de uitgebloeide restanten. Vanwege hun gewicht, vergelijkbaar met een pingpongbal stel ik me voor, kunnen ze aan de dunste twijgjes hangen. Waar zijn ze al die tijd geweest, deze vrolijke beestjes die zo gezellig met z’n allen tegelijk eten? Of ben ik het die een tijd is weggeweest van deze plek aan de keukentafel met zicht op de tuin?

Kool- en pimpelmezen kunnen dat niet, gezellig samen eten, die willen het rijk alleen. Daar komt al een koolmees, die heb ik trouwens ook een poos niet gezien. De staartmezen stuiven weg.

Misschien wordt het langzaamaan tijd om de voedersilo weer te vullen. In het topje van de amberboom zie ik de herfstschilder al klaarzitten met zijn rode penseel. Op alle dagen dat de zon en de warmte niet komen opdagen om het groene blad groen te houden, grijpt de herfstschilder zijn kans met zijn rode en oranje en gele verfblikken.

In de bakken op het voorbalkon piept het eerste groen van de sugarsnaps vrolijk uit de zwarte moestuingrond.

Jenga

R vraagt of er kinderen zijn. Ja, daar staat er al eentje op, daar nog een. Als de andere kinderen dat zien, laten ze zich ook van de banken glijden en wurmen zich langs hun ouders om naar voren te rennen. Dat heeft R ze geleerd, lekker rennen door de kerk, dat dat mag. Als ze vooraan zitten op de traptrede waar ze altijd zitten om even te babbelen met de dominee vraagt R: ‘Wie vindt het leuk dat ik wegga?’ Een onderlip krult naar beneden, knieën bewegen onrustig heen en weer, een hand plukt aan een slipper, een andere hand aan een haarelastiek, ogen staren naar voeten. Als ze klaar gebabbeld zijn over Zacheüs in de vijgenboom zegt R: ‘Nou jullie gaan naar jullie eigen dienst waar jullie misschien wel iets leuks voor mij gaan maken en dan komen jullie straks terug en dan hebben jullie misschien wel een verrassing.’ Ze kijken hem aan, eentje slaat een hand voor zijn mond, een ander begint met lachende ogen ‘nee’ te schudden, weer een ander haalt theatraal de schouders op, een paar kijken elkaar aan zoals alleen kinderen dat kunnen als ze weten dat er iets gebeurt waarvan zij hebben geleerd dat het niet mag, en waaraan ze nu twijfelen, want ja, het is wel de dominee.

R heeft zijn afscheidsdienst het thema Thuiskomen meegegeven. Welja. Het gaat dus over Zacheüs die in een vijgenboom klimt om boven de menigte uit Jezus te kunnen zien als die Jericho binnenkomt. Zacheüs is een tollenaar, zeg maar de Belastingdienst van tweeduizend jaar geleden, en – het zal eens niet zo zijn – niet geliefd onder zijn stadsgenoten. Terwijl zij Zacheüs liever niet zien, ziet Jezus hem wel in de vijgenboom en zegt zelfs dat hij bij hem de nacht komt doorbrengen. En alsof de sociale media ook toen al bestonden zijn de mensen er als de kippen bij om er schande van te spreken dat Jezus uitgerekend bij een slecht mens het huis in gaat.

Alle twijfel en zorgen die R gisteren over zijn afscheid had, zijn voor niks geweest. Zonder grote receptie met eten en drinken zijn er andere manieren gevonden om al die mooie mensen erbij te laten zijn: in een prachtig boek vol foto’s en persoonlijke woorden; in een ongelooflijk groot cadeau, een stoere elektrische fiets, zodat zelfs bij tegenwind en regen zijn eerste gemeente R zal vergezellen. En dan die zo gemeende woorden van zijn collega’s en voorzitter: R heeft geen idee over welke kwaliteiten hij blijkt te beschikken.

De kinderen hebben inderdaad een verrassing, een Rob de Bouwer vriendenboek waarin ze in hun eigentijdse handschriften schrijven hoe lief en grappig ze de dominee vinden, hoe leuk het was toen hij spaghetti kwam eten, of toen die een boef speelde. En er is het spel Jenga. Met viltstiften hebben de kinderen de houten blokken versierd. Ik zie hartjes, bloemetjes, kleurige kringeltjes, de woorden Hoop, Liefde, namen van de kinderen. Op één blokje staat Robieieieieie.