Eind jaren tachtig muziek

In de crossfitbox sta ik al klaar met een vierkante mat om die mee naar buiten te nemen, naar de parkeerplaats waar we sinds de laatste lockdown trainen. ‘We gaan niet naar buiten,’ zegt M die in korte broek is gekomen en die nog altijd revaliderend is nadat zijn knie uit zijn verband is geschoten toen hij in zijn bijbaantje bij de Appie uit verveling een karatetrap voordeed. ‘Het hangt een beetje af van de trainer,’ zegt M die deze week eerder is wezen trainen – het zijn zijn enige uitjes, de universiteit is nog potdicht –, ‘de een durft het binnen aan, de ander gaat nog naar buiten.’ Vandaag is P de trainer, de eigenaar zelf. Die durft wel. ‘Als de boa’s komen, zeggen we dat we de schoonmakers zijn,’ zegt J, de moeder van M.

Ik vind het prima. Ik ontdoe me van mijn handschoenen, mijn regenjasje, mijn fleecejack. Straks na de warming up zal ik ook mijn sweater uittrekken. Onder mijn leggingachtige sportbroek heb ik nog een laagje, omdat het buiten vier graden is. Dat zal straks te warm zijn.

We zijn met z’n vijven in de grote loods. Als we allemaal lekker bezig zijn met de oefeningen van het technische gedeelte – het bovenlijf met een rechte ruggengraat vooroverbuigen met de heup als scharnierpunt en met een gewichtige stang in de nek, afgewisseld met op een hoge box stappen en het opstapbeen helemaal strekken voor het andere been erbij komt – vraagt P welke muziek in mijn jonge jaren favoriet was. Van Morrison, zeg ik. Sinead O’Connor. Verder moet ik hard nadenken. De Nederlandstalige bandjes kwamen op: Doe Maar, De Dijk, Het Klein Orkest. ‘Hoe heet de zanger van Sitting on the Dock of the Bay?’ ‘Otis Redding,’ zegt P. Ja, die. Eind jaren tachtig speelden bandjes Reddings muziek in de Utrechtse werfkelders op Geschiedenisfeesten en feesten van Algemene Letteren. Op één zo’n feest in die wolken van soulmuziek kusten R en ik elkaar voor het eerst. Dan klinkt True van Spandau Ballet door de loods. J, de moeder van M, is van mijn leeftijd en begint haar armen in de lucht te gooien en mee te zingen, roept naar haar zoon dat dit haar muziek was. M lacht. ‘Simply Red,’ roep ik. P zoekt op zijn telefoon en daar klinkt uit de grote speaker al If You Don’t Know Me By Now. Ik was meer van Holding Back the Years. En Genesis natuurlijk, Phill Collins. Als we met de laatste set oefeningen bezig zijn – twintig minuten optrekken, opdrukken en roeien – roep ik: Curtis Mayfield, Joan Armatrading.

Thuis douche ik even, maak ontbijt en stap dan weer op de fiets, nu voor een derde prik. Ik weet ’s avonds niet goed of dat wat ik in mijn armen voel nu komt van de training of van de booster.

Naanbrood

Wat zit er in het groentepakket deze week? De nieuwe medewerker vraagt mijn naam, ik geef R’s naam, zij streept op een lijst, die hangt aan de andere kant van het muurtje waartegen de grote sinaasappelpers staat, zijn naam af en zet dan een blauw krat voor mijn neus op de witte krukjes. Het is haar eerste dag hier bij de groentevrienden die meer dan een half jaar op zoek zijn geweest naar versterking. Na de zomervakantie dachten ze iemand gevonden te hebben, een vrouw van mijn leeftijd, misschien iets ouder. Ze hield het na een week voor gezien. Formeel vanwege rugklachten. Tegen de groentevriend zei ik: ‘Je zult wel foute grappen gemaakt hebben.’ Toen kwam er een nieuwe vrouw, ouder dan ik, die het te ingewikkeld vond, vooral het gereken bij de kassa, en al die codes waarop de producten worden aangeslagen en die je het best uit je hoofd kunt kennen. Het bord ‘medewerker gezocht’ verscheen voor de zoveelste keer, de groentevriend schreef erbij: ‘fiets van de zaak bij tekening van een jaarcontract’.

‘En?’ vraag ik aan de nieuwe medewerker, ‘zijn ze een beetje aardig voor je?’ Ze lacht zelfverzekerd. Ze klinkt goed. Gisteren zeiden de groentevrienden dat er vandaag een piepjong iemand ging beginnen, maar dit is geen piepjong iemand, ja, misschien qua kalenderleeftijd, maar niet qua geest. We kletsen wat, ik zeg dat we elkaar vast vaker gaan zien, dat ik hier een soort stamgast ben. Ik hoor de groentevriend iets mompelen tegen N – die nog veel jongere gast van wie je ook niet zou zeggen dat hij nog geen twintig is –, dat hij me geen stamgast vindt, eerder de buurtpoes. Ik heb de groentevriend al vaak gezegd dat ik heel goed begrijp waarom niemand bij hem wil werken. De nieuwe medewerker heeft de opmerking ook gehoord, ze zegt: ‘Nou dit is de eerste ongepaste opmerking die ik hoor, dus het valt nog mee. Bovendien versta ik hem de helft van de tijd niet.’ Ze doelt op de groentevriend. ‘Houden zo,’ zeg ik.

Ik doe de groenten in mijn tas. Een bloemkool, een knolselderij, een enorme krop andijvie, een pakje zuurkool, veldsla en een puntpaprika. Bloemkool, daar heb ik wel zin in. Ik loop met de tas naar huis, kijk op de website van Landzicht voor een lekker recept. Bloemkool tandoori, dat klinkt goed, ik heb er alles voor in huis. Wat past bij tandoori? Rijst? Naanbrood? Natuurlijk, naanbrood. Dit is het jaar van zelf maaltijdbrood maken. Ik heb al een recept voor naanbrood klaarstaan van culinair journalist Karin ‘zonder pakjes en zakjes’ Luiten. Wat heb ik nodig? Nigellazaadjes heb ik niet, maar komijn of karwij werkt voor zo’n eerste keer ook wel. En verse koriander heb ik ook niet, ik kijk op het klokje van de magnetron, nee, als ik nu nog heen en weer naar de winkel ga, wordt het erg laat. Ik heb wel peterselie, gewoon proberen.

Eerst draai ik de oven op 200 graden. Dan meng ik 250 gram bloem met 200 gram Griekse yoghurt, een zakje instantgist, wat zout, twee uitgeperste knoflooktenen, een theelepel komijnzaad, een theelepel karwijzaad, de fijngesneden peterselie en een lepel olijfolie. Het hecht al snel aan elkaar, ik maak een bal en kneed die tien minuten. Ondertussen luister ik op de radio naar het gekrakeel van de dag. Ik doe het deeg terug in de kom, zet het met een bakje heet water in een plastic bak en doe het deksel erop. Die tip heb ik van Yvette van Boven die ‘m weer heeft van Robèrt van Beckhoven. Het deeg moet namelijk een uurtje rijzen en in zo’n zelfgemaakt rijskastje gaat dat erg goed.

Dat geeft tijd voor de tandoori. Dat is een kwestie van een stuk of tien specerijen en kruiden door 175 milliliter yoghurt roeren en daarmee de bloemkoolroosjes aan alle kanten bedekken waarna ze drie kwartier de inmiddels hete oven ingaan. Ondertussen blader ik wat door de digitale kranten. Als het uur rijzen voorbij is, snijd ik de deegbal in vier gelijke porties. De tandooribloemkool haal ik uit de oven en dek de schaal af met aluminiumfolie. Ik draai de oven 25 graden hoger. De bakplaat die ik straks nodig heb, zit er al in en is al goed warm. Ik strooi wat bloem op het aanrecht, leg er een portie deeg op, strooi nog wat bloem op het deeg, pak dan de deegroller en begin te rollen. Met een paar bewegingen heb ik al iets dat sterk lijkt op naanbrood. Met de andere deegporties doe ik hetzelfde. Ik leg de vier naanbroden op een vel bakpapier, bestrijk ze met een beetje gesmolten boter, strooi er wat zwarte sesamzaadjes op en leg het vel in de oven op de hete bakplaat. Nu is het een kwestie van wachten en goed kijken.

Het brood zwelt prachtig bescheiden op, en krijgt mooie goudbruine plekken. Na een minuut of tien vind ik het mooi. Dan even laten afkoelen en scheuren maar. Het voelt zijdezacht, druk ik met mijn vingers dan veert het terug, ook van binnen is het tongstrelend zacht, met de perfecte smeuïgheid. De naan die we voorheen kant en klaar uit een zakje haalden doet nu bordkartonnig aan. Volgende keer zal ik nigellazaad gebruiken, en koriander. Ik verheug me nu al.

Wederkerend

Weet ik zelf wel wat modale werkwoorden zijn? Of reflexieve werkwoorden? Perfectum, imperfectum? De filmpjes met uitleg die ik op internet heb gevonden en die ik straks ga gebruiken in de les zijn van een instituut dat zich richt op hoogopgeleide anderstaligen, lees ik ergens. Op die dure woorden na zijn het hele goede filmpjes over wederkerende werkwoorden, de (on)voltooid tegenwoordige tijd en (on)voltooid verleden tijd. In de gevorderdengroep is er vraag naar de werkwoordstijden, naar wanneer je wat gebruikt, en ook naar die rare werkwoorden als zich wassen, zich herinneren, zich verslapen. Met terugwerkende kracht kan ik me nauwelijks voorstellen hoe ik veertig jaar geleden met alleen een studieboek iets van het Duits, Frans en Engels onder de knie heb gekregen.

Dat zegt A ook. Hij is één van de kosters van dit gebouw waar het vandaag beneden rustig is omdat elders in de stad de winteropvang open is, en loopt met me mee naar de derde verdieping om het leslokaal open te maken. Negentien jaar geleden, zegt hij, was hij ook aan het ploeteren op de Nederlandse taal. IJsberg 2 heette het boek. ‘Phoe,’ zeg ik. Het lijkt hem nu ook veel leuker, met al die filmpjes, online oefeningen, er is zoveel te vinden, je kunt op zoveel manieren oefenen en leren.

Ik hang mijn jas op, doe mijn mondkapje af en het licht aan, zet het digibord aan, schuif de tafels die in een hoefijzer staan uit elkaar, drie haaks op de linkermuur, drie haaks op de rechtermuur, met mijn eigen tafel als een eilandje voor het whitebord en naast het digibord. Op het digibord zoek ik de filmpjes op en zet die klaar. Op weer een andere website heb ik oefeningen gevonden. Daar gaan we straks mee beginnen. Eerst oefenen en ploeteren en zien waar de studenten mee worstelen. Dan de uitleg.

Opruimen (6)

Wat ook hielp bij het in de smiezen krijgen van de waarde van het oude bestek was wat er gebeurde op Marktplaats. De biedingen kwamen niet op de advertenties met het talrijke verzilverde bestek van Gero Zilvium Noble 618, wel op de twee oudere doosjes met de theelepels waar ik niet veel van wist. Vlot begon ik de waarde van de keurmerken op de achterkant te begrijpen. Iemand vroeg hoe lang de lepeltjes waren, ik legde een theelepel en een likeurlepel op tafel met daartussenin de gele centimeter uit de naaidoos, maakte een foto en voegde die toe aan de advertentie. Ook woog ik het bestek, want ook dat zag ik her en der op veilingsites. Inkopers hanteerden de actuele zilverprijs, las ik: 34 cent voor tweede gehalte zilver, 33 cent voor derde gehalte. Ik begon te begrijpen waar de weerstandsgrens van de advertenties lag, net onder de formule: gewicht vermenigvuldigd met de zilverprijs.

Ik dacht aan de Wintergasten-uitzending met Yuval Noah Harari van eind december waarin Harari uitlegt wat geld is. Geld, zegt hij, is een van de meest onstoffelijke dingen ter wereld. Het bestaat niet fysiek, het bestaat alleen in onze geest, bij de gratie van vertrouwen. Gerst, zegt Harari, was vijfduizend jaar geleden het eerste geld, in het oude Mesopotamië. Daarna kwam goud, dat, stelt hij, absoluut geen waarde heeft: je kunt het niet eten, en je kunt er geen ploeg of een bijl van maken, daarvoor is het te zacht. Daarna kwamen, vanwege het gemak – want veel lichter – waardepapieren. En nu is bijna alle geld digitaal. Goud, waardepapieren, computerdata, het is van zichzelf niks waard. We stellen ons vertrouwen dan ook niet in dat goud of in onze digitale bankrekening, maar in de andere mensen die er dezelfde waarde aan hechten. Je kunt een supermarkt inlopen en na inlevering van een waardeloos stukje papier (waarop vijf euro is gedrukt) of een beweging van een waardeloos stukje plastic (dat je van je bank hebt gekregen) naar buiten lopen met een tros bananen. ‘Geen chimpansee zal je al zijn bananen geven in ruil voor een stukje papier.’

Het grootste verhaal ooit verteld, zegt Harari, gaat over geld, dat is het enige verhaal waar alle mensen in geloven.

En hier zat ik dan met mijn zilver. Ook al zo zacht. Waarom wilden mensen een zilveren bestek, vraag ik aan een vriendin van wie ik vermoed dat zij er verstand van heeft, al die aanslag, al dat gepoets? Als teken van welvaart, zegt ze, zeker als je personeel had om het te poetsen. Statussymbolen, sieraden, kronen, zegt Harari, daar kon je goud voor gebruiken.

Zou het oude bestek praktisch zijn (in de vaatwasser kunnen, niet zwart uitslaan), dan zou ik het onmiddellijk in de keukenla leggen en dagelijks gebruiken. Maar dat was het niet. Toch stuitte het me licht tegen de borst nu het me begon te dagen dat het de Marktplaats-bieders waarschijnlijk niet om de schoonheid van de zowel strak als rijk versierde lepeltjes te doen was, maar louter om de grondstof.

Opruimen (5)

Binnen een mum van tijd stonden er acht reacties op de Grundig Noblesse 22323 radio in het Berichtendeel van Marktplaats. De geïnteresseerden zeiden niet dat ze belangstelling hadden, nee, ze schreven allemaal iets in de trant van: ‘Ik kan ‘m morgenmiddag komen ophalen’, of, ‘Kan ik vanavond langskomen?’ Iedere markt heeft zijn eigen taal. ‘Gratis afhalen’ op Marktplaats betekent: de aanbieder wil er snel vanaf, de belangstellenden faciliteren dat. Maurizio had het snelst gereageerd, dus Maurizio kreeg als eerste de kans. R zei: je moet de anderen niet afschrijven voordat Maurizio daadwerkelijk is geweest, de reacties zijn niet altijd betrouwbaar.

Maurizio kwam op het afgesproken tijdstip. Hij was met de fiets. Boven zijn voorwiel had hij van twee plankjes een kloeke bagagedrager gebouwd. Ik overhandigde hem de radio, vroeg wat hij ermee ging doen. ‘Voor de onderdelen,’ zei hij. Hij nam de radio in zijn armen en liep naar zijn fiets die hij tegen de lantaarnpaal schuin voor ons huis had gezet. Het regende. ‘Wil je een tas?’ riep ik. Maurizio had de radio op zijn achterbagagedrager gezet, schudde rustig zijn hoofd en haalde een zwarte tas tevoorschijn. Het regende flink. ‘Wil je niet even hier?’ Ik gebaarde naar de groene container vlak bij me waar het balkon boven zat. Maurizio glimlachte kalm, ging verder met de tas. Maurizio was iemand die niet nat werd.

Ondertussen was het zilver schoon, en was het tijd voor de foto’s. Ik snap de aarzeling van de middenstander – die zijn leven lang gewend is geweest om zijn waren mooi uit te stallen in een met dure huurpenningen betaalde winkel – om een webshop te beginnen. Verkoop via het internet vereist op zijn minst een studiootje waar de waren van alle kanten perfect gefotografeerd kunnen worden, vraagt dus ook om een goede camera, vereist verder goede teksten en het overtypen van allerhande informatie die je in de winkel gewoon uit de doos vist. Om nog maar te zwijgen over de kennis die een perfect functionerende internetshop vereist. En ook al was Marktplaats een gezellige tweedehands amateurplek, zelf nam ik advertenties met mistige of omgekeerde foto’s niet serieus. Dus prutste ik met een wit gordijn waarop en waartegen ik de cassettes en lepels en vorken en messen en lepeltjes en gebaksscheppen zo professioneel mogelijk uitstalde, en begon ik te fotograferen.

Dan waren er nog de keurmerken op de achterzijde van het bestek. Bij het Gero Zilvium Noble 618 was het niet moeilijk, daarvan had ik een folder, daarover kon ik de informatie makkelijk vinden op internet. Maar er waren oudere doosjes, rijk versierde vleesvorken, theelepeltjes, een complete theegarnituur met moeilijk leesbare merktekens, een gebaksschep. Ik hanneste er met mijn telefooncamera boven, maakte foto’s, waarop ik vervolgens inzoomde. Waar was mijn vaders loep? Waarom was ik uitgerekend dat voorwerp bij het opruimen van zijn spullen nog niet tegengekomen?

Ik leerde snel. In de donkerblauwe cassette met een compleet strak vormgegeven theegarnituur – twaalf lepeltjes, één suikerschep, één theeschep – trof ik op de stelen jaartekens aan, een W (1931), een X (1932), verder een kop die van Minerva bleek met een M erin dat waarborgkantoor Schoonhoven betekende; dan was er nog een lopende leeuw met een 2 onder zijn buik wat stond voor tweede gehalte zilver 835/1000, en met veel moeite ontcijferde ik de letters WAP: Weduwe A. Pluut. De Pluuts waren een zilversmedenfamilie te Schoonhoven. Arie Pluut was de eerste die zich er in 1828 vestigde. De Pluuts heetten eigenlijk ‘Polut’ las ik op een zilvermerkenwebsite, het waren gevluchte Franse Hugenoten.

Op de stelen van de twaalf theelepeltjes en twaalf likeurlepeltjes in de rode doos van de juweliersfirma A. Ghijben te Tilburg zaten alleen zwaardjes. De likeurlepeltjes droegen daarnaast het meesterteken GvW4 dat Gebroeders van Wezel uit Amsterdam betekent. De theelepeltjes hadden ook een meesterteken, vermoedelijk AM met tussen de A en de M een klodder, of was dat ook nog een letter? Hoe ik ook zocht, ik vond nergens het meesterteken AM met uitleg.

In het zwaardje moest nog een cijfer zitten, als teken van het zilvergehalte. Gebruik nooit een scherp voorwerp, las ik, als ik zo’n met zilverpoets vol gewreven merkje probeerde schoon te maken, gebruik de achterkant van een lucifer. Dat deed ik.

Opruimen (4)

Bestek. Er was een 29-delige bestekcassette zonder messen, bestaande uit een soep-, een saus-, een groente- en een aardappellepel, zes tafelcouverts en zes dessertcouverts. Gewikkeld in dun winkelpapier en los in de cassette lagen verder nog zes grote couverts, zes kleine couverts, zes tafelmessen en drie vleesvorkjes. Alles van Gero Zilvium, model Noble 618. De cassette had, vermoedelijk begin jaren vijftig toen mijn ouders trouwden, 254,60 gulden gekost. Dat stond in de folder die ik tussen mijn vaders paperassen had gevonden.

De journalist Dick Wittenberg mocht onlangs meekijken met kinderen die het huis van hun overleden moeder opruimden. Die moeder was van dezelfde generatie als mijn ouders. Wittenberg schrijft dat deze vrouw op haar achttiende minder dan 50 bezittingen had, toen ze stierf waren dat er meer dan 10.000. Ook merkt hij op dat het bewaren van folders, handleidingen en aankoopbonnen van spullen die er allang niet meer zijn, typisch is voor die generatie.

Ik was ook veel handgeschreven aankoopbonnen en folders en handleidingen tegengekomen. De zes grote lepels en vorken kostten 89,40 gulden, de zes kleine lepels en vorken 80,40 gulden, de messen 52,80 gulden en de vleesvorkjes 16,45 gulden. Totaal 493,65 gulden. Een vorstelijk bezit, roemt de folder zo’n rijk uitgevoerde Gero Zilvium cassette. Het ontwerp waarvoor mijn ouders kozen was ‘een uitstekend voorbeeld van een model met het traditionele puntfilet dat altijd modern blijft’, waardoor ‘het sierlijke Noble tot een van de graag gekozen modellen’ behoort.

Dan waren er nog andere doosjes: eentje met twee vleesvorkjes, eentje met een taartschep, eentje met twaalf theelepeltjes en twaalf likeurlepeltjes, eentje met een theeschep annex theezeef. Ook dit bestek was verzilverd, maar ronduit klassiek met zwaar versierde stelen. Vermoedelijk kwam dit bij mijn grootouders van vaders kant vandaan zoals er wel meer spullen van die grootouders tussen de spullen van mijn vader waren opgedoken.

Hoe maak je zilver schoon als je niet wilt poetsen? Op internet stond een truc. Ik legde een stuk aluminiumfolie in een afwasteil, goot er kokend water op, deed er een schep baking soda bij en legde daarin het soms flink zwart aangeslagen bestek. Iedere vork en lepel moest contact maken met het aluminiumfolie. Zodra het zwart was weggetrokken moest ik het bestek keren.

Terwijl de scheikunde op het aanrecht zijn werk deed, bekeek ik op Marktplaats en op veilingsites of er handel was in vintage verzilverd bestek.

Opruimen (3)

En toen kwamen de logés toch wel.

We zaten bij vrienden te eten toen vriendin A belde en vroeg of zij en P alsnog konden komen logeren. Nu de poes dood was en hun flat akelig leeg – geen getrippel op het parket, geen gemiauw voor aandacht of nieuw eten, geen sprongetje op het bureau om het warme lijfje op de papieren en boeken die bestudeerd werden te vlijen – was er niks om voor thuis te blijven, was er warmte van vrienden en familie nodig. Natuurlijk kon dat, graag zelfs.

Alhoewel er twee etmalen zaten tussen het telefoontje en de daadwerkelijke druk op de deurbel had ik door afspraken en bezigheden slechts één middag om de kamer logeerklaar te maken. Dat vergemakkelijkte de klus aanzienlijk. Ik vouwde drie verhuisdozen open, pakte van de sorteertafels de ongelijksoortige stapeltjes en begon de paperassen in de eerste doos te leggen. Tussen ieder stapeltje legde ik een leeg vel. De eerste volle doos zette ik naast de boekenkast met daarin spullen die nog op Marktplaats moeten, of naar een tweedehandswinkel. De tweede volle doos zette ik op de eerste, enzovoort. Dat wat een herfst lang de halve logeerkamer in beslag had genomen, vergde nu niet meer dan het oppervlak van een verhuisdoos. Ik borg de schragen, planken en behangtafel die als sorteertafels hadden gediend op in het verwarmingshok, dekte zowel de dozentoren als de boekenkast strak af met witte gordijnen, stofzuigde grondig, rolde de slaapbank uit tot bed en maakte het bed op met fris beddengoed.

Ik keek rond. Zo was de kamer een fijne plek om in te vertoeven.

Inmiddels zijn de logés alweer hoog en breed terug in Berlijn en aan het werk. En ik ging ook aan de slag – het is niet de eerste keer dat logés het beslissende zetje geven om dat wat al bijna opgeruimd is, definitief op te ruimen. De dozentoren liet ik voor wat het was. Ik begon met de inhoud van de boekenkast. De Grundig buizenradio? Ik stak de stekker in het stopcontact. Mijn vingers wisten na ruim veertig jaar nog precies welke knoppen in te drukken en aan welke te draaien. In het apparaat achter het display met exotische plaatsnamen ontstak een radiokabouter zacht licht: Monte Carlo, Rias, Mailand, Athen, Hörby, Stavanger, BBC Europe. Linksboven verscheen groenblauw licht in een rechthoekig venstertje, daaronder de letters ‘Abstimmanzeige’. In het midden ervan een verticaal grijswit streepje. Draaide ik aan de afstemknop dan werd de streep smaller of breder al naar gelang de zenderontvangst sterker of zwakker was. Dit was allemaal herinnering want in werkelijkheid klonk er alleen een dikke vette bromtoon. Aan de slag. Fotootjes maken, Marktplaats checken, buizenradio’s die voor twintig euro werden aangeboden deden het nog, huppekee, gratis afhalen.

Volgende. De Corbusier-achtige chaise longue, maar dan van Ikea, de eerste stoel die R en ik samen kochten. Bij de laatste grote ombouwing waarbij ik flink snoeide in de boekenkasten en boeken had ik deze stoel uit elkaar gehaald. Het frame stond naast de boekenkast, de lederen zitting lag bovenop. De stoel was ontworpen door Tord Björklund en op een veilingsite voor vintage design meubels werd ‘ie voor 650 euro aangeboden. Ik zocht de foto’s op die ik had gemaakt net voor ik de stoel uit elkaar haalde, ik maakte nog wat foto’s van de lederen zitting, van de verkleuringen door gebruik en de zon, de losse onderdelen. Ik laadde alle foto’s in een nieuwe Marktplaats-advertentie, typte er wat lovende woorden bij. Wat werd de vraagprijs? 600 euro, gewoon proberen, bieden vanaf 400.

Wat was er nog meer?