Zon

Hoeveel stroom is er in februari via mijn zonnepanelen op de diverse daken opgewekt? 120 kWh. Iets meer dan de helft komt van een Noord-Hollands dak waaronder sla en bleekselderij wordt geteeld. Een kwart komt van een Rotterdams dak dat ooit toebehoorde aan de Rotterdamse stadsboerderij, die is ter ziele, maar niet het dak, dat blijft stroom produceren. En dan is er een nieuw dak in Hoogerheide, eronder draait het om luchtvaarttechniek en onderhoud van luchtmachtmaterieel; dat er veel aan duurzaamheid wordt gedaan, trok me over de streep, sinds half februari is het dak in productie genomen.

Was het een goede februari voor zonnestroom? Ja, de opbrengst was hoger dan een jaar geleden, maar lager dan in 2019 en 2018, wel weer hoger dan in 2017. Laten we zeggen dat februari qua zon een gemiddelde maand was.

Snoeischaar, huishoudtrap

De blauwe regen heeft er geen last van, de bosrank ook niet, de grassen met hun uitgebloeide, zandkleurige halmen niet, de hortensia Annabellen ook niet, de vlinderstruik niet. Geen premier die zegt dat de schaar er niet in mag. Dus pak ik de huishoudtrap uit de meterkast en de snoeischaar uit de bak met tuinspullen, trek ik mijn laarzen aan, schuif de pui open, stap het terras op, draag de spullen het trapje af, de tuin in, draai mijn gezicht naar de zon en knip dat het een lieve lust is.

De droge grasstengels knip ik klein, net als de gedroogde Annabellenbloemen, die kan ik straks gebruiken in het compostwormenhotel. Werk met laagjes, schreef een compostwormendeskundige ergens. Begin met een laagje bruin – karton- en eierdoossnippers –, dan een laagje keukenafval – dat je best in de keukenmachine tot moes kan malen, zo verteert het het snelst –, vervolgens een laagje groen (droog tuinspul dus, gedroogd herfstblad kan ook), dan weer keukenafval enzovoort. Wie spekkoek kan maken, of lasagne, kan dit ook.

Van de vlinderstruik knip ik acht stekken, die zal ik straks in glaasjes met een laagje water in de woonkamer zetten. Het duurt een maandje, las ik, om ze goed wortel te laten schieten. Ik heb zelf helemaal geen acht nieuwe vlinderstruiken nodig, misschien maar eentje, maar wie weet maak ik er iemand in de straat blij mee.

Is het alweer half vier? Vlug nog even naar de groentevrienden voor wat peren, mandarijnen, Hoeksche chips, een praatje. Op weg halen R en ik de overbuurvrouw in, daar praten we eerst mee. Ze is benieuwd wanneer ze een oproep gaat krijgen voor haar vaccinatie. Ze is nu nog 74, wordt binnenkort 75, er zit in haar hoofd een scenario waarbij ze tussen wal en schip valt. Ze kan erom lachen. Ze is een nachtvlinder, ze weet exact waar de andere nachtbrakers wonen, in de torenflat verderop zijn zelfs twee appartementen waar het licht nooit uitgaat, ze wijst. Ze is blij met R die het ook regelmatig lekker laat maakt waardoor het licht bij ons ook nog lang brandt. Soms moet ik wel vroeg op, zegt R, dan ga ikop tijd naar bed. Kan hij dan gelijk slapen? vraagt de buurvrouw. Altijd, zegt R. Ik zou altijd kunnen slapen.

Gezelligheid kent geen tijd, net voor sluitingstijd komen we bij de groentevrienden. Heb je zin in morgen? vraagt N, die zowel hier werkt als in de crossfitbox. Ja, zeg ik. Het is zijn idee, de wandeling in tweetallen vanuit de crossfitbox met onderweg vier halteplaatsen in de openlucht waar trainers staan, waaronder N dus, en waar we vast en zeker dingen met gewichten en kettlebells en zware ballen moeten gaan doen. Het weer zal geweldig zijn, zegt N.

We lopen nog even de supermarkt in en gaan dan snel naar huis. We moeten nog ons dagelijks ommetje maken. Als we daarvan terugkomen begint het al licht te schemeren, toch ga ik nog even de tuin in, ik was nog niet klaar. Ik steek de grashark in de vijver en schep het herfstblad voorzichtig van de bodem. De volle harken kieper ik om tussen de Annabellen en achter de yuca’s. Ik let goed op of er levende have meekomt. Maar niks: geen pad of kikker of salamander springt tevoorschijn.

Rond zes uur berg ik de hark op onder het terras. Het is nog altijd zacht. Een hele dag zonder sjaal, zonder muts, zonder handschoenen, zonder winterjas, het voelt bijna naakt.

Brood 28

Ik zette 400 gram water in een bakje in de vriezer en woog ondertussen 500 gram bloem af. Ik denk dat het bloem van het type T55 is. In Nederland staan typeaanduidingen zelden op meel- en bloemverpakkingen, in Duitsland en Frankrijk is dat veel gebruikelijker. Omdat de bloem van Lidl is, de biologische bloem, en deze volgens de site broodsmakelijk.nl – die regelmatig meel en bloem tot op de bodem uitpluist – exact gelijk is aan de bloem die in Duitsland verkocht wordt waar deze type-aanduiding wel op de verpakking staat, ga ik er voor het gemak vanuit en gebruik ik het in de baguette-recepten waar T55 of T65 als aanbevolen bloemsoort vermeld staat.

Na een poosje haalde ik het water uit de vriezer, goot het bij de bloem en begon met mijn vingers te mengen tot alle bloem met water in aanraking was geweest. Het voelde gek, die kou, tot nu toe had ik altijd met lauw water gemengd. Ik dekte de kom af met huishoudfolie, zette ‘m in de koelkast en veegde de timer op mijn telefoon naar 45 minuten. Buiten stond een blauwe reiger naast de vijver. Zie je ‘m langs een sloot, dan lijkt het allemaal mee te vallen, maar in onze postzegeltuin oogde het als een gedrongen manshoge indringer. Nu het ijs gesmolten was, kwam hij kennelijk inspecteren wat er aan levend eten over was. Ik draaide de sleutel van de schuifpui om, voor sommige reigers is dat geluid voldoende om traag op te stijgen en weg te wieken, maar deze gaf geen krimp. Daarop timmerde ik met mijn knokkels op het dubbelglas, maar ook dat was aan dovemansoren besteed. Dus ging ik vliegensvlug door de knieën om de anti-inbraakstang los te maken, de pui open te schuiven, het terras op te stappen en hard in mijn handen te klappen. Heel even leek het of de indringer luttele meters verder alweer ging landen op het dak van buurmans tuinchalet om vandaar de vijver in de gaten te houden, maar hij bedacht zich en wiekte in een fraaie bocht over de buurtuinen om vervolgens over onze daken te verdwijnen.

Toen het deining-deuntje op mijn telefoon aangaf dat de 45 minuten voorbij waren, woog ik 9 gram zout af en één kleine theelepel gist waarvan ik weet dat het overeenkomt met 1 gram. ik nam de kom uit de koelkast, haalde het folie eraf, mengde eerst het zout door het natte deeg en daarna de gist. Met de folie er weer op zette ik de kom terug in de koelkast.

Dit deeg was een nieuw avontuur. Ik vond het recept in Niemeijers Een boek over brood, het leek op het niet-kneden-brood van de New Yorkse bakker Jim Lahey, met als grootste verschil de temperatuur. Lahey’s deeg begint met lauwwarm water en rijst een dag en een nacht bij kamertemperatuur, nu gebeurde alles (ijs)koud. Het idee is, schrijft Niemeijer, dat dat ijskoude water de amylase een voorsprong geeft. Amylase is het proces waarbij de eiwitten in de bloem na aanraking met water suikers gaan vormen. Dat gaat dus sneller met ijskoud water en zou de smaak ten goede komen.

Dat ik vervolgens vrijwel niks meer met het deeg hoefde te doen – misschien een of twee keer omslaan wat ik ook deed, gisteren voor ik ging slapen, en vanochtend vroeg – ging ervoor zorgen dat alle gassen in het deeg bleven, en dat zou voor een rulle kruim of grote gaten gaan zorgen, wat ook goed was voor de smaak.

Toen ik het deeg vanochtend in de pan kieperde, leek het niet veel meer dan een hele dikke pannenkoek. Het liet zich makkelijk over de loeihete bodem heen en weer schuiven. In de oven blies het zich evenwel flink op, zij het niet overal, en nu ligt het af te koelen op het rooster.

Dan is er altijd dat uur wachten, minstens, tot het brood voldoende afgekoeld is en aangesneden kan worden. Die spanning, alsof het niet om zoiets eenvoudigs als de binnenkant van een brood gaat maar om Sinterklaas zelve is. Wat zit er in de zak?

Tent

Vorige week was het dak van de tent en lag er sneeuw op de straatstenen en onder onze matten en verwarmde een winterse zon onze bemutste hoofden en gehandschoende vingers. Nu is het zeildoek boven ons weer dicht, niemand verwacht nog dikke pakken sneeuw en scheuren in het tentdak, alleen links en rechts onder de stukjes zijkant die niet open zijn geschoven en waarvan het zeil niet lichtjes fladdert in de wind liggen nog restjes sneeuw te wachten om gesmolten te worden.

Op deze ochtend van de week zijn we meestal met acht, negen atleten. De training staat op het whiteboard geschreven en bestaat zoals altijd uit een set opwarmoefeningen, gevolgd door een reeks technische oefeningen om te eindigen met de workout of the day – WOD – waarin we drie of vier oefeningen zo snel of zoveel mogelijk achter elkaar moeten uitvoeren.

Eerst warmen we op met diepe kniebuigingen: in drie langzame tellen naar beneden, in één tel omhoog, één tel de gestrekte heup stilhouden en weer naar beneden, 3-1-1, en dat tien keer de rug blijft al die tijd recht. Dan stappen we vijf keer op en van een houten kist en dan gaan we nog vijf keer door de heupen en door de knieën, maar nu wijdbeens, waarbij we afwisselend onze lijven boven het ene gebogen, gehurkte been brengen, dan boven het andere, terwijl het andere been gestrekt is. Dit hele pakket drie rondes.

Dan gaan we een stang halen, tien kilo, vijftien kilo, meer kan ook. En gewichten, ronde platen met een gat in het midden, om links en rechts op die stang te schuiven. Straks ligt die gewichtige stang in mijn nek en ga ik met een rechte rug door de knieën tot mijn billen de houten kist aanraken, lichtjes, het is niet de bedoeling dat ik ga zitten uitrusten, en weer omhoog, heupen gestrekt. En dat acht keer. Dan anderhalve minuut rust, en dan weer acht keer, in totaal zes setjes. Als die stang daar eenmaal ligt, kan die makkelijk 25 kilo wegen, maar hoe krijg ik die stang die voor me op de grond ligt boven me, om ‘m vandaar in mijn nek te laten zakken? En, een nog grotere vraag, hoe krijg ik ‘m na acht herhalingen weer uit mijn nek? S die verderop staat worstelt met dezelfde vraag boven een stang die ze tot 50 kilo gevuld heeft.

We besluiten de stang niet lichter te gaan maken, maar elkaar te helpen als we rusten. De eerste keer krijg ik de stang nog wel opgetild en op zijn plek, en doe ik mijn acht herhalingen, dan roep ik even en komen S en C die al klaar zijn. Zij tillen ieder aan een uiteinde mijn stang een stukje op, ik laat los, en zij leggen ‘m op de grond. Op dezelfde manier komt die na de rustpauze weer in mijn nek. Trainer P helpt S door achter haar te gaan staan en de stang van vijftig kilo van haar over te nemen. Reden er na vorig jaar na de eerste lockdown nog geregeld handhavers van de gemeente rond om te kijken of de trainers echt alleen maar toezicht hielden en geen les gaven, want les geven was en is verboden, nu tijdens de tweede lockdown zien we ze niet meer en zijn de trainers ietsje minder bang, ietsje minder roomser dan de paus, al is er geen fysiek contact en houden we afstand. We zijn niet gek.

De laatste achttien minuten zijn voor de WOD. We halen een zware bal, een soort zandzak in ronde vorm, die moeten we met een gestrekte rug oppakken, voor onze borst brengen en over onze schouder achter ons laten vallen. En dat twintig keer, dan rennen we de tent uit tot net voorbij het garagebedrijf en weer terug en daarna vouwen we ons lijf als de benen van een passer, billen op het hoogste punt, voeten aan de grond, handen aan de grond, buigen we onze ellebogen en proberen ons hoofd zo dicht mogelijk bij de mat te brengen. We mogen deze oefening ook doen met onze voeten op de houten kist, al maakt dat het strekken van de armen zwaarder. Tien herhalingen. Dan weer twintig keer die zandzak, 200 meter rennen, tien keer vanuit een passerstand opdrukken tot er na achttien minuten op iemands telefoon een zoomer gaat.

Een paar jongens bekijken nog even de zwarte zak waarmee P heeft gegooid, vijftig kilo, de zak is van R, die ‘m hier in de box laat liggen zodat anderen ‘m ook kunnen gebruiken. De jongens willen ‘m ook even proberen, een enkeling lukt het, P die zeker tien jaar ouder is dan ik doet voor hoe ze goed door de knieën moeten gaan, nooit een bolle rug, eerst die zak voor de borst brengen, dan een hupje, en daar gaat die al over de schouder.

We ruimen op. Dat gedoe met papier en alcohol en ontsmetten waar vooral de rubber platen flink onder leden, doen we niet meer. We zijn bijna een jaar verder en wijzer.

Theorieles

Het was leuk elkaar weer te zien, al was het op een Zoom-scherm, dus besloten we het vaker te gaan doen en dan zouden we er ook gelijk iets nuttigs van maken. Het muzikale gehoor trainen, opperde fluitist 1, en uitleg over drieklanken en intervallen en hoe je die laatste makkelijk kunt onthouden. Zij had gehoord dat Vader Jacob begint met een secunde, een afstand van één tussen de eerste twee noten van een toonladder, en dat 1-2-3-4 Hoedje van papier begint met een terts: een sprong van de eerste naar de derde toon. Klarinettist 1 gooide transponeren in de groep en fluitist 2 kwam met de kwintencirkel aanzetten en de vraag wanneer een stuk in mineur of majeur staat. Klarinettist 2 wilde ook graag het muzikale gehoor trainen, om niet altijd vast te zitten aan bladmuziek. Ja, typte ik, dit wil ik ook allemaal leren, en ook beter in de vingers krijgen hoe de altsax, een zogenaamd Es-instrument, zich verhoudt tot piano en fluit. Mijn C klinkt hetzelfde als een Es op de piano.

Dus stuurde onze ensemble-leider ons 46 pagina’s theorie waarvan het meeste ons bekend voorkwam, maar niet alles, zeker niet dat van die intervallen en drieklanken en secundes, tertsen, kwarten, kwinten, sexten, septimes en octaven, en kregen we huiswerk op: toonladders spelen en in onze vingers stampen, tot drie kruizen en drie mollen; de tertsen van die toonladders uit onze hoofden leren; de drieklanken van diezelfde toonladders oefenen. En dat alles om voortaan vlot het karakter van een muziekstuk te herkennen: in welke toonsoort staat het, om welke toonladder draait het, wat is de grondtoon, wat de terts. ‘Een beetje zoals vroeger op de lagere of basisschool zinsontleding?’ vroeg ik. Ja, dat was een prima vergelijking.

Voortaan zouden we niet meer zomaar iets beginnen te spelen, maar zouden we het stuk begrijpen, de context, en waarom de noten en de voortekens bij de sleutel waren zoals ze waren, en niet anders.

We hadden er allemaal veel zin in. Terug naar de schoolbanken.

Kapper

Ik had nog één knipbeurt op mijn knipkaart die tot eind 2020 geldig was, dus maakte ik begin december een afspraak bij de kapper voor 28 december. Daags na de december-persconferentie waarin het landsbestuur aankondigde het land voor de tweede keer op slot te doen en de kappers ook, belde de kapsalon om de afspraak af te zeggen. We maakten een nieuwe afspraak voor 25 januari. Toen kwam er een volgende persconferentie, opnieuw belde de kapsalon mij op om de afspraak af te zeggen, weer verzetten we de afspraak, nu naar 15 februari. In februari herhaalde de dans zich voor de derde keer. Persconferentie, belletje van de kapsalon, helaas, geen 15 februari, wilde ik een nieuwe afspraak voor 8 maart? Tuurlijk.

Nu lijkt het te gaan gebeuren. Als het weer zo mooi is als vandaag, ga ik op de fiets, peddel ik rustig de wijk uit, onder de nieuwe snelweg door – daar kan later nog wel een onderzoek naar komen, naar de overbodigheid en geldsmijterij en de natuurvernieling van die snelweg – dan langs het bos, het water over, de stad in, waar dingen veranderd zullen zijn, afgebroken, opgebouwd, verlegd. Dan tegenover het stadhuis het plein op met de potdichte terrassen, de winkelstraat in, tussen de potdichte belwinkel en de potdichte kledingwinkel de trap op naar de grote salon met de stoelen en spiegels heel ver uit elkaar, de vertrouwde gezichten met hun zachte handen en scharen. Bijpraten gaan we, aan mijn haar dat inmiddels lang is en op weg nog langer te worden, zullen we weinig werk hebben.

Alles wat goed is, moet anders

Het begon rond lunchtijd met vriend M die in reactie op ons broodaansnijfilmpje op de groepsapp schreef dat de grootgrutter tot voor kort een prima thuisafbakciabatta verkocht bestaande uit louter bloem, water, olijfolie, gist en zout, dat daar toen een paar ingrediënten aan toe werden gevoegd, waarna het brood dertig procent goedkoper werd, en de smaak met vijftig procent achteruit ging.

Ik schreef over het artisane stokbrood dat bij dezelfde grootgrutter in de winkel werd afgebakken, dat lekker zwaar en breed was en dat een paar jaar geleden een soortgelijke transformatie onderging als M’s thuis af te bakken ciabatta. En dan was er van recente datum de Arcadios Griekse yoghurt, de lekkerste Griekse yoghurt in het assortiment, dat zei de vrouw met wie ik rond de jaarwisseling voor het schap stond ook, terwijl een jonge winkelbediende geen idee had over welke yoghurt we het hadden of waar die was gebleven. Weg.

Schoonmaakmiddelen van Method, schreef R, zomaar weg uit het schap, vervangen door rare bolle flessen van JAWS dat Just Add Water System betekent en die je zelf met een klein navuldingetje en water uit je eigen kraan kunt navullen.

En nu is parodontax ook nog van smaak veranderd, schreef onze vriendin uit de hoofdstad.

Denk je alles gehad te hebben, appte vriendin C die kennelijk even geen basisschoolkinderen op haar scherm voor zich had.

Vriend M liet ons weten dat Method nog wel in het online assortiment zit, misschien woonden we in de verkeerde wijk? Afgemeten aan de assortimentswijzigingen, schreef ik, denk ik dat vaker, dat we qua inkopen niet echt tussen gelijkgezinden wonen: ook de Maza Esfenaj had onlangs de strijd om schapruimte in ons filiaal verloren.

Afgemeten aan de beslissingen van dit kabinet, schreef hoofdstadvriendin, denk ik weleens dat ik in het verkeerde land woon.

Toen was de app-pauze voorbij en konden we allemaal weer aan het werk.