Bericht voor JJ

De tuinbaas schrijft: ‘Wil je JJ laten weten dat ik het een mooi verhaal vind? De tijdmachine. De mooiste zin vind ik: Hee, rustig aan…’

Ik schrijf de tuinbaas: ‘Het gaat zo goed in de moestuin, iedere ochtend een rondje klein groot geluk.’

Wit, rood, lila, nog geen blauw

Vijf jaar geleden schreef ik op 7 juli over de yucca die overnight in bloei was gekomen. Nu is het nog geen juli en de yucca staat net zo plotsklaps in volle bloei. Eén stengel is er dit jaar aan de rozetvormige bladeren ontstegen, dat willen er andere jaren nog weleens twee zijn, maar deze ene zit zo vol bloementrossen met dicht op elkaar die grote crèmekleurige hangende kopjes, dat je er met gemak drie in kunt zien. Links en rechts van de yucca, onder de witte en blauwe druif, bloeien de ezelsoren die ik onlangs in Rijsoord kocht diep lila, de vorig jaar in Ede gekochte Stachys houden de spanning er nog in, daar alleen nog blad. Kleurt de yucca de rechterhoek van de tuin wit, links doen de Annabellen dat met hun muur van witte sneeuwballen.

Het beemdkroon of Knautia dat ik onlangs ook in Rijsoord kocht en dat halverwege de tuin staat, heeft al gebloeid, de eerste van de drie Knautia macedonia die ik vorig jaar in Ede kocht, begint nu haar rooddonkerroze pracht te tonen. Dan de Phlox ‘Fairytale of the Ural’. Vorig jaar had ik te laat in de gaten dat meeldauw het op deze vlambloem had voorzien, maar dit jaar heb ik preventief met melkwater gespoten en vandaag zijn de eerste rozerode puntjes van wat komen gaat zichtbaar. Ook de Persicaria amplexicaulus ‘Dikke Floskes’, oftewel duizendknoop, toont al voorzichtig en nog heel dun de aren die zich in juli gaan ontwikkelen tot dikke rode bloemaren.

De Lobelia ‘Blaue Auslese’ houdt de spanning er nog in, zes van de zeven planten maakten de afgelopen weken flinke sprongen omhoog, eentje bleef al die weken klein, maar gelukkig is daar nu toch wat groei in te bespeuren. Ik kijk uit naar de blauwe bloemen. Dan zijn er die twee andere Lobelia’s, ‘Ruby Slippers’, die ik nog nooit heb zien bloeien, de belofte is auberginekleurig. Weelderig en zonder dat ik er iets voor hoef te doen bloeit de dovenetel, Lamium in het Latijn, grote diep lila speldenknoppen steken uit boven de bont gevlekte bladeren die ieder jaar weer een groter stuk bodem bedekken.

In de middenborders links en rechts van de vijver staan al een paar jaar vier Agapanthussen, Kaapse lelies. Vorig jaar heeft er voor het eerst één gebloeid en ook dit jaar zie ik in die ene twee bloeistengels met bovenop de dikke knop waaruit de bloem straks tevoorschijn zal komen, in die andere drie zie ik niks. Ik lees over bemesten met fosfor en kalium maar weinig stikstof eind augustus om de ontwikkeling van bloemknoppen het volgende seizoen te stimuleren. Heb ik nog nooit gedaan, net zo min als zo’n mestgift in de vroege lente na het weghalen van de vorstbescherming. Onthouden.

Dat ik zo kwistig met al die plantennamen in het Latijn en Nederlands strooi, heeft ook te maken met onthouden. Opschrijven, repeteren, hopen dat de onthoudspier een beetje spierballen krijgt.

Een gat van 32 millimeter

Ik koop een gatenboor van 32 millimeter. Hij kost acht euro nog wat. Ik ga er één gat mee boren. ‘Dat wordt een duur gat,’ zegt R. ‘Da’s nog niet alles,’ zeg ik.

Een paar dagen later laat ik water uit de volle regenton in de gieter lopen tot het waterniveau in de ton een centimeter of vijf gezakt is. Dan pak ik twee verlengsnoeren, draai de nieuwe gatenboor vast in de boormachine en maak een mooi gat boven in de wand van de regenton. Het gat zit recht tegenover het gat waar het water vanaf ons dak – een schuin plat oppervlak van 66 vierkante meter – de ton binnenkomt. Ik steek een slangpilaar – die een euro of vier kostte – van buitenaf door het gat en schroef daar van binnenuit een ring en een draadmoer – acht euro – op tot de wateruitlaat goed vast zit.

Uit het hok onder het terras haal ik het restant van de oude tuinslang. Ik had gegokt dat ik de slang óp de pilaar kon schuiven – ik heb er speciaal slangklemmen à 2,50 voor gekocht –, maar daarvoor is de diameter van de tuinslang te dun. Wel past de tuinslang precies dóór de opening in de pilaar. Lijkt me ook prima. Of gaat het water dan straks niet door de slang naar buiten, maar zoekt het een weg tussen slang en pilaar door en loopt het direct langs de regenton weg? Ik steek de slang via de wateruitlaat de regenton in en draai een verbindingsstuk dat werkloos lag te zijn, op het uiteinde van de slang zodat die niet door het gat weer naar buiten kan glijden.

Ik leid de slang langs het klimrek op het muurtje van het terras af de lager gelegen tuin in, langs het siergras, daarna met een bochtje over de vijverbrug om het uiteinde aan de andere kant van het water met opnieuw een bocht op de rand van de vijver te laten eindigen.

Dan wacht ik zes dagen.

Vrijdagavond brengt het onweer fikse buien, maar het is te donker om nog iets in de tuin te kunnen zien. Zaterdagochtend om kwart voor acht maakt een felle bui me wakker. Ik sta op, loop naar de keuken en kijk de tuin in. Zit de ton al weer vol genoeg? Komt er water uit de slang? Er is teveel regen en nattigheid om het goed te kunnen zien.

Als de bui weg is loop ik de tuin in naar de slang op de rand van de vijver. Ik kijk en voel. Ja, als ik de slang beweeg komt er water uit. Is het geen toeval? Ik loop naar de plek waar de slang vanaf het terras schuin naar beneden komt en til de slang net voor die plat over de grond gaat kronkelen op. Ondertussen kijk ik naar de vijver, naar het uiteinde van de slang. Een mooie straal water klatert de vijver in.

Het werkt!

Iedere officiële millimeter neerslag die niet meer in de ton past, betekent 66 liter water extra in de tuin. Permanent. Voor twintig euro. Een paar euro meer dan de maandtermijn die we aan het waterbedrijf betalen. Niet duur.

De tijdmachine

JJ is eergisteren tien geworden. We hebben een tijdslot geboekt voor een verjaardagsbezoek. Omdat ik op de cello inmiddels zo’n beetje Happy Birthday kan spelen, neem ik de cello mee. Hij past net in de auto.

Na zo’n tien keer klinkt het verjaardagslied min of meer oké. Nu de cello toch tegen mijn benen rust, pakt JJ haar saxofoon. Ze vraagt of ik misschien het Wilhelmus met haar kan spelen, daar heeft ze net de bladmuziek van, maar ik heb even niet paraat hoe het samenspel tussen een Es- en een C-instrument zou kunnen.

We kletsen wat over school, ze heeft tijdens de eerste weken van de lock down veel op de computer gewerkt. ‘Kun je met tien vingers typen?’ vraag ik. Ze knikt, ze heeft haar diploma. Ik zeg haar dat ik ook blind heb leren typen, nog op een mechanische typemachine met gekleurde dopjes over de toetsen om spieken te voorkomen, en dat ik mijn typediploma misschien wel mijn belangrijkste diploma vindt. ‘Echt?’ vraagt ze.

JJ vraagt wat voor werk ik eigenlijk doe. Ik vertel over het boek en de blogs op de website. Een eigen website? Echt? Ze gaat direct het adres opslaan. Ze heeft een verhaal geschreven. Ze laat het mij lezen. Op school is ze bezig met interpunctie. Toen ze dit verhaal schreef, wist ze daar nog niet het fijne van. ‘Zal ik het verhaal op mijn website zetten,’ stel ik voor, ‘met interpunctie?’ Dat vindt ze leuk.

///

De tijdmachine

Lang geleden was er eens een jongen die Jesse heette. Hij was een normale jongen. Tot op een dag…

Het was vakantie. Maar Jesse ging niet op vakantie. Daar hadden zijn ouders geen geld voor. Toen Jesse aan het buitenspelen was, hoorde hij een keiharde knal. Hij rende snel naar de plek waar het geluid vandaan kwam. Toen hij op de plek was, zag hij iets vreemds. Hij zag een meisje in een mini-vliegtuig zitten. Het meisje kwam net bij. Jesse rende snel naar het meisje toe. Supersnel vroeg hij: ‘Hoe heet je? Gaat het? Hoe kom je hier? Ben je hier nieuw?’

‘Hee, rustig aan, ik ben Kristy en wie ben jij?’

‘Ik ben Jesse.’

‘Welk jaar is dit?’

‘Het jaar is 2010.’

‘Ik zit in het goede jaartal, maar ik zit hier vast.’

‘Hoe bedoel je “ik zit hier vast”?’

‘Ik zal het uitleggen. Mijn vader is uitvinder. Hij was boodschappen aan het doen. Ik kroop stiekem in zijn tijdmachine. Ik raakte per ongeluk het startknopje aan. Daardoor reisde ik hiernaartoe. Ik kan alleen geen tijdmachine besturen, daardoor stortte ik neer.’

‘En uit welk jaar kom je eigenlijk Kristy?’

‘Ik kom uit 2019. Ik wou graag hiernaartoe omdat ik zo geboren word.’

‘Weet je, ik help je wel je tijdding te herbouwen.’

‘Oké, aan de slag dan maar.’

Toen ze bijna klaar waren, zei Kristy: ‘We missen een belangrijk onderdeel.’

‘O nee,’ zei Jesse, ‘wat is dat dan?’

‘Niets bijzonders, alleen een horloge.’

‘Hoe komen we nou weer aan een horloge,’ zei Jesse.

‘Door hem te stelen van je vader,’ zei Kristy.

‘Nou, ik weet niet zeker of ik dat durf.’

‘Alsjeblieft, doe het voor mij,’ zei Kristy.

‘Oké, ik doe het,’ zei Jesse.

Een tijdje later kwam Jesse terug.

‘Gelukt. Zet jij hem erin dan pak ik benzine.’

Een paar minuten later zijn Kristy en Jesse klaar.

‘Ik ga er alvast in zitten,’ zei Kristy.

‘Dag Jesse,’ zei Kristy, ze gaf hem een zoen op zijn wang. ‘O ja, en dit blijft ons geheimpje.’

‘Dag Kristy,’ zei Jesse blozend, ‘kom me gauw weer eens opzoeken.’

‘Doe ik,’ zei Kristy, en ze vloog weg.

Tropisch

M vraagt of we nog gaan zwemmen deze week. Tuurlijk. Vandaag is het zover. Ondanks alle mooie dagen wordt dit de eerste keer dit jaar. Hij komt met gebak, hij heeft een nieuwe baan. Na de taart en thee duw ik twee fietsen naar buiten en gaan we op pad. Er is kans op onweer, later, nu is het buiten nog een bakoven.

We parkeren de fietsen voor het terras van de Blokhut en leggen onze handdoeken in de schaduw op het gras. We gaan zitten, kletsen wat, dan gaan we het water in. Als we een stukje onderweg zijn, draaien we op onze ruggen en kijken alle kanten op, ik zeg: dit zou ook zomaar ergens in een buitenland kunnen zijn. M is het met me eens. Het water is overal aangenaam, af en toe duik ik een paar lagen dieper, maar daar is het niet veel kouder. We steken schuin over, maar keren een stuk voor het hondenstrand om. Er varen bootjes, die zag je vorig jaar niet. Corona heeft een blik sloepjes opengerukt die hier nu wezenloos rondvaren. Meer kan niet. Een plas heeft geen uitgangen. Gelukkig mag hier alleen elektrisch gevaren worden.

Weer terug bij onze handdoeken halen we ons proviand tevoorschijn. M heeft druiven, water en sap, ik meloen, chips en water. M heeft een Franse krant, ik de Groene Amsterdammer. M doet een dutje, ik lees over de opkoopregeling voor varkensboeren – kosten: bijna een half miljard euro – die was ontworpen voor bedrijven met veel stankoverlast en die nu zonder aanpassing wordt ingezet om de stikstofvervuiling van natuurgebieden aan te pakken. Alleen is in de meeste van de 127 door de minister aangewezen gemeenten waar varkensboeren een beroep op de regeling kunnen doen geen ernstig ammoniakprobleem of kwetsbare natuur. Ook lees ik over de coronakredietregeling voor het midden- en kleinbedrijf waarvan de regering van meet af aan wist dat die niet zou werken. Als M weer wakker is en ik vertel wat ik heb gelezen, zegt hij opgewonden: hier moet iemand Kamervragen over stellen. Toen ik M leerde kennen was hij gemeenteraadslid, nu allang niet meer, maar de politicus huist nog altijd in hem.

We fietsen terug. Er is nog geen onweer, in de zon is het onverminderd tropisch. Ik duw de fietsen het huis in, M pakt zijn spullen, hij gaat nog even naar de supermarkt voor hij in de metro stapt. Ik loop met hem mee, koop humus en Libanees brood. Voor bij de falafel. Om negen uur begint de lucht te rommelen, dan valt de bevrijdende regen.

Koelte!

Zomers

Vriendin Z zei: in mijn land is het altijd om zes uur donker. Zomer of winter, het maakt geen verschil. Ze had moeten wennen dat het in Nederland gerust al tien uur ‘s avonds kan zijn voor het donker wordt. Of al om half vijf begint te schemeren. Ik zei: we zijn net voorbij de langste dag, langzaam worden de dagen weer korter. Dat was natuurlijk een rare zin, alle dagen duren vierentwintig uur.

Gisterenavond zat ik buiten te lezen, qua licht ging het nog prima, maar om 22:43 uur kregen de muggen honger. Toen ging ik in bed verder lezen, met het raam wijd open. Ik zei tegen R: ‘Als jij nou tot drie uur vannacht opblijft en de open deuren bewaakt, dan kan de laagste temperatuur van de nacht nog een beetje door het huis waaien.’ Minder dan twintig ging het niet worden.

Kijken naar wat politici doen

17 maart zijn er verkiezingen. Uit mijn onderzoeksverleden weet ik dat het slimmer is te kijken naar wat mensen doen dan te kijken naar wat mensen zeggen. Er gaapt vaak een gat. Of zoals Willem Elsschot dichtte: ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’. Al ging dat gedicht over een man in een doodgebloed huwelijk die zelfs doodslag overweegt om eraan te ontsnappen, maar het niet doet.

Bij politici is het vaak omgekeerd: die roepen mooie dingen, maar stemmen anders. Iedere dinsdag stemt de Tweede Kamer over wetsvoorstellen en moties. Een motie is een mooi woord voor een vraag of verzoek van één of meer Kamerleden aan de regering. Als een meerderheid van de Tweede Kamer instemt met zo’n vraag of verzoek, moet de regering er iets mee doen.

Alle stemmingsuitslagen staan op de site van de Tweede Kamer. Er is ook een handige app Debat Direct, die de uitslagen in fijne graphics zet. In de aanloop naar 17 maart pluk ik er iedere week een paar uit.

Deze week was er de veel besproken motie van Lodewijk Asscher (PvdA) en Lilian Marijnissen (SP) met het verzoek aan de regering ‘om met een plan te komen voor structurele waardering voor zorgverleners, waarin betere arbeidsvoorwaarden en een beter salaris kunnen worden gerealiseerd’. Geen politicus zal voor de microfoon zeggen dat zorgmedewerkers niet moeten mauwen. Toch werd de motie verworpen, nadat de stemmen eerder twee keer staakten. Bij alle drie stemmingen kwamen de tegenstemmen van de Kamerleden van VVD, CDA, D66 en CU.

Uitslag stemming 9 juni (op 16 en 23 juni werd hoofdelijk gestemd, alle Kamerleden stemden volgens de partijlijn zoals hierboven)

Dan waren er twee interessante moties op het terrein van de luchtvaart. De regering is bezig een CO2-plafond uit te werken, Kamerleden proberen dat bij te sturen. Er was een verzoek van kamerlid Lammert van Raan (PvdD) om een CO2-budget vast te stellen voor de luchtvaartsector dat op zijn minst in lijn is met het Parijsakkoord en het tijdpad van het Klimaatakkoord. Lijkt me niet onlogisch. Als je je als land vastlegt op bepaalde doelen, zul je ook een strak plan moeten hebben om die doelen te halen. Toch werd de motie verworpen door de regeringspartijen aangevuld met PVV, SGP, FvD en Van Haga. 96 tegen, 54 voor.

Een andere motie kwam van Jan Paternotte (D66) en Chris Stoffer (SGP). Zij vragen de regering om het CO2-plafond ‘niet hoger te laten zijn dan de emissies van de hoeveelheid uitstoot van de vanuit Nederland vertrekkende vliegtuigen in 2019′. Ook vragen ze om het plafond ‘bij voorkeur’ te laten voldoen aan de reductiepaden van het Klimaatakkoord. Zeg maar: een vrijblijvende variant van het verzoek van Lammert van Raan. Allereerst vroeg ik me af waar de emissies van de aankomende vliegtuigen in dit verhaal zijn gebleven. Verder is het jaartal natuurlijk erg grappig. Er zal voorlopig niet snel een jaar te vinden zijn waarin de emissies hoger zijn dan in 2019. Vóór deze motie stemden dezelfde partijen als die ook voor de motie van Van Raan stemden. Maar nu het zo vrijblijvend is, durfden ook D66 en CU vóór te stemmen, zo kunnen ze straks in de campagne zeggen: kijk, wij laten die luchtvaart echt niet zo maar zijn gang gaan. De motie werd aangenomen.

Van een goede vriendin hoorde ik trouwens, en zij had het uit een bron heel dichtbij het vuur, dat Schiphol vijftig procent gaat bezuinigen op alles: onderhoud, inkoop, personeel. Alles. Vijftig procent.