Eierdozen

De compostwormen verwerken ook ongebleekt karton en eierdozen. Ik las het ergens op een website en het werkt geweldig tegen de nattigheid in het wormenhotel waar vooral fruitvliegjes dol op zijn. De verhouding is 2:1. Op een mooie laag gesneden bloemkoolgroen en andijviestronkjes strooi ik een dun laagje eierdoossnippers en karton.

De temperatuur helpt ook mee. Compostwormen gedijen het beste tussen de 18 en 25 graden. De ruimte onder het terras is als een kelder, niet te koud in de winter, niet te warm in de zomer. De wormen zijn in ieder geval super actief en het zijn er iedere dag meer.

Mijn plan is om binnenkort een groter hotel te openen. Ik heb op de site van Ikea bakken gevonden met volgens mij de juiste afmetingen die níet transparant zijn. Da’s belangrijk, want wormen houden niet van licht. Sockerbit heten de bakken, maar de blauwe zijn overal uitverkocht. Misschien dat ze er eind volgende week zijn.

Geeft tijd om de productie iedere dag een beetje op te voeren. Het doel is om een volledig recyclefabriekje te hebben voor alle groente- en fruitafval en eierdozen; verder karton naar behoefte, als een soort bijstook. De compost schijnt geweldig te zijn om groentes en bloemen in voor te zaaien.

Wandtapijten

Ik fietste naar de stad. Dat eeuwig sluimerende voornemen heeft corona geactiveerd, dat ik op de fiets stap om naar het centrum te fietsen. Niet dat ik de metro niet in durf, donderdag stapte ik er met heel veel plezier in, op weg naar een echte les van mijn cellodocente, de eerste sinds veertien (!) weken. Omdat ik het nauwelijks kan geloven pak ik mijn agenda erbij en sla de bladzijden om, veertien keer, ja zo lang geleden was het dat ik in haar werkruimte zat en haar kat in mijn cellokoffer probeerde te kruipen, dat doet ze graag. In de tussentijd hannesten we met filmpjes, ik met het maken ervan, zij met het beoordelen en wat dan te zeggen of uit te leggen en vooral hoe. Donderdag kon ze me in tien minuten laten zien hoe ik mijn hand in drie dimensies moest draaien om lekker van de C op de A-snaar naar de G op de D-snaar te komen.

Nu had ik geen grote cellokoffer te torsen, bovendien was het schitterend weer. Ik boekte een tijdslot in de Kunsthal – dat lijkt een gedoe, maar het is zo gepiept en je bent ervan verzekerd dat er geen hordes met jou voor de deur staan –, deed een piepklein rugzakje om en ging op pad. Net voorbij het postverdeelcentrum ging ik rechtdoor over de kruising om direct aan de overkant het bos in te duiken. Ik hield een beetje links aan, wilde niet bij de grote plas uitkomen en peddelde door een prachtig bos over een meanderend fietspad; wat joggers, wat fietsers, nog niet veel op dit uur. Ik waande me in Berlijn, in Tiergarten, dat grote bos dat midden in de stad ligt, al kan ik me niet heugen daar gefietst te hebben. Of toch? Die keer dat ik op de poes van de Berlijnse vrienden paste, ben ik toen op een van hun fietsen gestapt?

Aan het einde van het bos zocht ik mijn weg door een slaperig wijkje waar voor ieder huis minstens twee flinke auto’s stonden, daarna fietste ik langs de universiteit over een kaarsrecht, breed fietspad met links en rechts klaprozen, korenbloemen en ander moois. Bij het kleine stadion stak ik een grote kruising over en toen was ik bij de rivier. Ik kon de hele tijd langs de rivier fietsen, een zweem van zee kroop mijn neus in, bij de witte brug liet ik het water links liggen en toen was ik er al.

Er hingen enorme wandkleden in het museum. Ik wist niks van wandkleden. Picasso maakte ontwerpen voor wandkleden, Le Corbusier, Miró, Vasarely en Louise Bourgeois. Ik zag een film over het jarenlange proces, de technieken en de enorme hoeveelheid uren die er in het maken van zo’n enorm tapijt gaan zitten. Ik wist vaak niet of ik naar een wandkleed keek of naar een schilderij. Le Corbusier noemde wandkleden de meest geschikte kunstvorm voor onze moderne mobiele samenleving: oprollen en meenemen.

Buiten op het terras bestelde ik een kopje thee. Hadden ze er iets lekkers bij? Ja, appeltaart, citroencake, citroencheesecake. ‘Doe dan maar,’ ik wist het nog niet, ‘citroen …,’ ik twijfelde. ‘Dan zou ik voor de citroencheesecake gaan,’ zei de serveerster. Ik ging voor de citroencheesecake.

Radicaal, zonder pardon

Waren de reuzenradijszaailingen al twee centimeter en zagen ze eruit zoals op het plaatje? Ja? Dan werd het tijd om ze uit te dunnen. Ik moest per zaaiplek de grootste zaailing laten staan en de anderen, meestal twee, wegknippen. Radicaal en zonder pardon, schreef Jelle erbij. Niet eruit trekken en denken dat je met die weggehaalde zaailingen op een andere plek nog iets leuks kon doen, nee, dan zou je zomaar de wortel van de zaailing die mocht blijven beschadigen.

Leerzaam.

Ook de snijbietzaailingen waren groot genoeg om uit te dunnen, zonder aarzeling knipte ik ook daar radicaal. Datzelfde deed ik bij de bietjes en de rucola.

Daarna keek ik een paar minuten naar de moestuinbak zoals ik elke dag als eerste doe nadat ik ben opgestaan. Bij de bouwmarkt had ik drie elektrabuizen, ieder met een lengte van twee meter en een doorsnede van zestien millimeter, gekocht. Twee heb ik gebogen en kruiselings over de bak gezet, de derde staat in een mooie boog langs de lange kant waar de klimgroentes staan. Over die bogen ligt het net, als tentdoek over een tentframe. Ik voelde aan de buizen. Alles stond solide.

De bouwmarkt had de buizen in lichtgeel en grijs. De grijze kostten 75 cent, de lichtgele 32 cent. Hoe kan zoiets 32 cent kosten? En wat bepaalt dat die grijze buis meer dan twee keer zo duur is? Wanneer zag ik voor het laatst iets dat maar 32 cent kostte? Zelfs een rode peper kost al 39 cent.

Kusje, kusje, kusje

Direct toen ze de drempel overstapte zei nichtje L ‘kusje, kusje, kusje’. Ze bewoog haar hoofd er een beetje bij zoals het met echte kussen bewogen zou hebben. Vind ik tot nu toe de beste vervanging voor de pre–coronabegroetingsrituelen. Geen onhandig gedoe met een knik van het hoofd waarbij die hoofden zomaar tegen elkaar kunnen botsen als je het allebei tegelijk zou doen. Ook niet dat geklungel met een hand op het hart. Da’s meer iets voor Amerikanen. Die hoeven hun vlag maar te zien of hun hand ligt al op hun borst en ze beginnen het volkslied te zingen. Nederlanders kennen op de eerste twee regels na het Wilhelmus niet en dat houden ze graag zo, de vlag gaat uit als je geslaagd bent, of hang je om je nek op een pre-corona Koningsdag en tijdens de Olympische Spelen, en dan niet met zo’n statisch handje op de borst, maar hossend en met de armen in de lucht. Zo’n trap van je voet tegen een andere voet is natuurlijk grappig voor hooligans, vooral als ze de politie tegenkomen, maar niet voor het gros van de Nederlanders. Die hebben hun beider voeten aan de grond de komende tijd hard nodig om niet om te vallen. Voor die twee handpalmen tegen elkaar waarbij de vingers afwisselend naar de hemel en naar de borst van de ander wijzen schat ik de Nederlanders veel te nuchter: wel massaal een boeddhabeeld bij het tuincentrum kopen, maar verder geen poespas.

Toen mijn nichtje wegging, zei ze het weer, heel soepel, zonder aarzelen: kusje, kusje, kusje.

Touwtjes graag

De man van de facilitaire dienst draagt een poloshirt met donker- en lichtblauwe vlakken. Hij houdt vlak naast mij stil, op zijn kar staan dozen. Op minder dan anderhalve meter loopt hij voor mij langs, meer ruimte is er niet, naar de kamer waarin drie vrouwen zitten. Twee dragen een witte broek en een witte zorgjas en bemensen de twee loketten waar iedereen die een afspraak heeft om naar zijn ogen te laten kijken zich moet melden. Alweer een kwartier geleden meldde ik me bij het linkerloket, ik zei mijn naam, ja, de vrouw zag mijn afspraak in de computer, ik mocht op stoel 6 in het wachtgedeelte gaan zitten. Ik vond het goed geregeld. Vóór corona moest je zelf maar een plek kiezen en plofte er nog wel eens iemand naast je met een slechte hoest of een riekende kleren. Dat is nu uitgesloten.

De man met de blauwe polo vraagt of de vrouwen nog wat nodig hebben: handgel, mondkapjes, handschoenen. De vrouw achter het rechterloket staat op, pakt een dichte doos mondkapjes en zegt dat ze die terug wil geven in ruil voor mondkapjes met touwtjes die je zelf op het achterhoofd kunt vastknopen. Ik zag net een oogarts met zo’n mondmasker, witte strikken tussen zijn rossige krullen, hij kwam informeren of zijn vijfentachtigjarige patiënt zich al had gemeld waarop de vrouw van het rechterloket haar hoofd schudde en opperde dat hij misschien beneden bij de triage vast zat in een file. Ik was ook door de witte triagetent voor de ingang gekomen en mocht zonder een enkele gezondheidsvraag via de linkerkant van het roodwitte lint zo doorlopen, maar dat gold niet voor de mensen die er minder fit uitzagen en die allemaal rechts moesten houden en vragen kregen, of een koortsthermometer op hun voorhoofd, wat de boel flink ophield.

Op de doos in de hand van de vrouw zie ik een afbeelding: deze maskers hebben oorelastieken. De vrouw zegt: met name de collega’s die een hoofddoek dragen kunnen slecht uit de voeten met die elastiekjes. De poloman zegt dat hij ze niet heeft. Dat hij ook maar moet afwachten wat er geleverd wordt, dat iedereen liever touwtjes heeft dan elastieken. Ik kijk naar de grote doos op de bevoorradingskar: Jiangsu Nanfang Facemasks staat op de zijkant.

De vrouw die even later mijn naam in de wachtruimte noemt, heeft geluk, haar masker heeft touwtjes die ze over haar witte hoofddoek heeft gestrikt. Ze zegt: wij zijn al zo gewend, we weten niet beter meer. Ik zeg haar dat mijn ogen enorm tranen. Nee, niet altijd, alleen als iemand er een druppel in wil doen of als ik weet dat ik niet mag knipperen. Met haar duim en wijsvinger houdt ze mijn oog open.

Droeg ze handschoenen? Herinner ik me de geur van latex of de aanraking van rubber op mijn wang? Welke kleur hadden ze? Paars, zoals de handschoenen deze week bij de groentevrienden, of blauw zoals bij de visboer? Of was het toch haar huid op de mijne, twee dagen geleden? Haar stem herinner ik me wel. Een warme stem. Ze zei: ‘Twaalf in het linkeroog, twaalf in het rechteroog. Alles onder de 21 vinden we goed.’

Berlijn (3)

Als de bos Pinksterbloemen die R in Berlijn liet bezorgen van roze naar geel naar uitgebloeid is geëvolueerd, begint hier in de tuin de boerenpioen te bloeien. Ik stuur iedere dag een fotootje van de boerenpioen naar Berlijn, om alles waar die in Berlijn bezorgde bos pioenrozen voor stond en staat, levend en vol liefde te houden.

Nu zijn we een week verder, de regen die de afgelopen dagen regelmatig viel, maakte de bloem zwaar, de steel boog ver door. De regen van vannacht heeft bijna alle lichtroze binnenste smalle, lange blaadjes en de grotere felroze buitenste bloembladen losgemaakt. Ze liggen op de tegels als vogelveren na een slachtpartij. De steel is terug omhoog geveerd.

Vandaag stuur ik een laatste foto. Behalve één lichtroze bloemblaadje resteren er vier stampers – auberginekleurige mini-dadels uitmondend in een grillig rozerood tongetje – die oprijzen uit een rond perzikgeel kussentje dat weer het hart vormt van drie lichtgroene komvormige blaadjes – zoals van een artisjok – met wijnrode randen.

Ik googel een hele biologieles bij elkaar om alles wat ik zie de juiste naam te geven. Waar ik niet uitkom is of ik dit restant van de bloei nu moet weg knippen of laten zitten.

Moord

De merel heeft drie jongen. Ik herken ze aan hun gebedel en aan hun warm bruine verenkleed, lichter dan een volwassen vrouwtje. Vader merel heeft iets gevonden in de vijver. Nu ligt het op de tegel naast de vijver. Hij pikt onophoudelijk in zijn prooi, bij dat pikken beweegt hij zijn snavel van links naar rechts waardoor de prooi iedere keer een beetje wordt opgetild en op een andere zij terecht komt, als een worstje dat langzaam wordt gewenteld op de barbecue. De merel slikt het opgepikte vlees niet door, maar verzamelt het in zijn snavel. Soms lijkt de prooi op een muisje met een dikke staart, maar muisjes glimmen niet. Ik pak de verrekijker. Ja, het is al wat ik dacht, een salamander, misschien geen volwassen salamander maar een tiener. De prooi is nog te groot om er mee te vliegen, de merel zit in tweestrijd. Als hij naar zijn jongen gaat om ze zijn snavel aan te bieden, die puntzak vol vlees, dan moet hij de prooi even de rug toekeren. Dus sleept hij de prooi met de punt van zijn snavel, de enige plek waar nog geen salamandervlees zit, naar de rand van de grote bloembak en voert daar zo goed en zo kwaad als het gaat zijn jongen zonder de salamander of wat daarvan over is, uit het oog te verliezen.

Dit alles gebeurde zaterdag.

Vandaag zegt R: ‘Ik zag net iets heel ergs gebeuren.’ ‘In de tuin?’ vraag ik. Hij knikt. ‘Kom maar op,’ zeg ik. ‘Er was net een koolmees, of een pimpelmees,’ dat verschil ziet R nog niet zo goed, ‘en die joeg op een oranje vlinder, en toen vrat hij die vlinder op.’