Al doende, gember

Linksboven, daar zit ie. De vérstandskies. Hij beweegt, zonder zich te laten zien. Begin dit jaar ging ik met een dikke wang naar de tandarts. Het leek mij genoeg bewijs dat een kaakchirurg aan de slag kon. De tandarts zei dat het acute euvel niet zozeer de kies was, maar een ontsteking. Hij gaf me een spuitje met een gekromde punt mee. Ik moest listerine in de spuit doen en dan die smalle gekromde punt in het aangetaste, opgezwollen, ontstoken tandvlees steken en dan bestrijden maar. De ontsteking smolt in drie dagen weg. Het is een gedoe maar ik raak er steeds bedrevener in, al kan ik geen dag overslaan, want de bacteriën liggen constant op de loer om toe te slaan bij de geringste verslapping van mijn kant. Sinds een paar dagen is mijn wang weer dik. Ik spuit en borstel en duw erop los met desinfecterend blauw mondspul, maar ik krijg het er niet onder. Naarmate de boel meer opzwelt, heb ik steeds minder trek om dat venijnige puntje in het steeds wekere tandvlees te steken. Dus pep ik mezelf met een laatste krachtsinspanning op en sleep me naar de wastafel, hang mijn mond erboven en pruts met het blauwe water en een spuitje of een wattenstaafje of een tandenborstel en stel mij voor dat ik flauw ineenzak van de pijn. Z, bij wie ik even op de thee ben, maar haar aanbod om mee te eten afsla, wijzend naar mijn wang, adviseert me gember. En dan kauwen, zegt ze. Een etmaal later schil ik een stukje gember, stop het achter mijn achterste kiezen en begin mijn kaken langzaam te bewegen. Het werkt als een bijtring en mijn kaken kunnen wat mijn vingers en dat spuitje niet kunnen: door de pijn heen bijten. Ik pluk de gember weer uit mijn mond, bloed druipt over het geel. Het is bijna kunst.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.