Rijp

nooteboomLaatst viel ik in een item bij DWDD, Connie Palmen aan tafel over haar debuutroman De wetten, ik geloof omdat het groots werd heruitgegeven. Ik liep naar de boekenkast, ja, ik had het, ik had het gelezen, ik herinnerde mij weinig, ik las het weer, ik vond het heel goed geschreven, ze had niks teveel gezegd op tv. Kennelijk was ik er nu rijp voor. Vandaag zag ik Cees Nooteboom, hij mocht bij Buitenhof iets zeggen over het werk van Jeroen Bosch, hij had er het essay Een duister voorgevoel over geschreven. Cees Nooteboom is slechts een jaar jonger dan mijn moeder had kunnen zijn, ik las ooit zijn boekenweekgeschenk Het volgende verhaal en iets later Allerzielen, ik geloof omdat mijn therapeut daaraan gerefereerd had, in mijn herinnering vond ik het een taai boek toen, in 2012 liet ik het de grote meester signeren tijdens een lezing. Nu pakte ik Cees Nootebooms debuut uit de kast, ik had vier jaar geleden de Volkskrant-serie ‘Beste debuutromans’ van een goede vriend cadeau gekregen. Met veel plezier las ik in Philip en de anderen. Pagina 39: ‘Soms vielen wij in een vleug lauwe warmte die, door de troosteloze hitte van overdag ergens samengeperst, langzaam uitwaaiert in de nacht, een enkele keer de kruidige geur meedragend van tijm of lavendel.’ Drie uur geleden voelde ik zelf lauwe warmte in mijn rondje langs het water, die eerste alles omhullende, alles dragende warmte van het jaar, de geur van teer ergens bij een schuur achter wat lage bomen die in de warmte vervloog. Niets zo krachtig als geur, het bracht mij onmiddellijk naar voorbije verzengende zomers waarin op het heetst van de dag de grote zwarte schuur werd geteerd, hoe heter, hoe makkelijker smeerbaar, die teer van weleer is allang verboden. En direct daarna iets zoets, iets weeïgs, het kon een rottende vuilniszak zijn, maar evengoed bloesem, die ik niet zag.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.