De Swemmer

Ik las de blog van een goede vriendin. Ze dacht dat er in het buurdorp Oudwoude nooit ook maar iets gebeurde, toen ze daar vroeger in de zomer vanaf de brug in de Swemmer sprong. Ik wist het niet van mijn vriendin, dat ze als tiener van een brug in het water sprong, dat ze dat durfde. Ik had het waarschijnlijk ook nooit geweten als ze niet vlakbij die brug van mijn vriendin die boer gevonden hadden die hoorde bij het sperma op het lichaam van Marianne Vaatstra.

Ik zwom als kind bij de brug over het Haringvliet. Op de brug reden vrachtwagens met containers van Maersk en Scandinavian Seaways. Die namen kon ik net lezen als ik op mijn buik in het warme zand lag op te drogen. Dan droomde ik noordwaarts; mee met de vrachtwagens. Onder de brug klonk een oneindige symfonie van wielen op brugdelen. Stoere jongens klommen over de basaltblokken naar boven en liepen op bloten voeten op de smalle strook kokend asfaltgrind tussen vangrail en hekwerk de brug op. Om dan drie seconden te zweven. Ik had ze geteld. Dat mag je nooit doen, zei mijn vader, je weet nooit waar je op springt. Zijn gezicht was ernstig. Ik vroeg niet verder.

Ik had net Pier en oceaan van Oek de Jong gelezen. Daarin wordt heel veel in het water gesprongen. In Friesland en in Zeeland vanaf een sluis. Iedere keer had ik onbewust die angst gevoeld, dat de hoofdpersoon Abel Roorda op iets verschrikkelijks zou springen, een lijk of een roestig scheepswrak.  Dat lijk zou hem eigenhandig de modderige bodem intrekken; roestig staal van het scheepswrak zou zijn linkerbeen afzagen. Dat krijg je als je waarschuwingen aan de verbeelding overlaat.

Toen vroeg ik me af of die boer die nu gevonden is, en die nog een boerenzoon was toen mijn vriendin in de Swemmer in Oudwoude sprong, daar ook had gesprongen. Misschien wel tegelijk met haar. En of ik nu one handshake away was. Of dat hij ook een vader had gehad die ernstig waarschuwde tegen springen vanaf bruggen. En dat hij daarnaar had geluisterd.

Station

stationIk liep door de nieuwe onderdoorgang van het station in mijn stad. Het was de tweede keer. Ik voelde niet meer de enorme opwinding van de eerste keer. Je kunt maar een keer iets voor het eerst zien. Een tweede keer ziet je netvlies geen onbekende onderdoorgang; het herkent de beelden van de eerste keer. Ik verlangde naar de opwinding van die eerste keer.

De onderdoorgang is nog niet klaar. De trappen aan de westzijde zijn noodtrappen. De tweede keer ontdekte ik dat die van heel fijn hout gemaakt zijn. Het zou nog wel een tijdje duren voor de eigenlijke trappen klaar zouden zijn. Dan konden die noodtrappen maar beter aangenaam zijn. Ik ontdekte meer. Nergens op het nieuwe natuursteen lag een halve bak friet met dikke klodders mayonaise waarin een verdwaald paars vorkje of een verloren krant.

Op het perron waar de dubbeldekstrein naar Deventer vertrok stonden bij een geopende deur twee meisjes. De een met nonchalant warrig haar hield het uitgetrokken handvat van een koffer op wieltjes vast, de ander had niet meer dan een stoere, legergroene schoudertas op haar billen rusten. Lange bruine haren golfden onder haar grof gebreide muts. De langharige legde haar arm om de schouder van haar vriendin. Ze tongden. Toen ze klaar waren drukten ze hun lippen tegen elkaar, en toen ze daarmee klaar waren tongden ze weer heel langzaam. Om hen heen sprongen mensen de trein in. Op de klok zag ik dat de vertrektijd al vijftien seconden in het verleden lag. Ik hoopte dat de conducteur niet zou fluiten. Hij moest ook zien dat dit nog mooier was dan de natuurstenen onderdoorgang zonder patatbakjes en verfrommelde gratis krantjes. Toen blies hij toch. Misschien stond hij te ver weg. De meisjes drukten hun lippen nog een keer tegen elkaar en lachten. En toen stapte die met alleen maar de schoudertas op haar billen in.

Tante Jo

Ik stond in de keuken van tante Jo.

Tante Jo is geen echte tante. Ze hoorde vanaf haar trouwen met oom Piet in 1959 tot de vriendenclub van mijn ouders. Iedereen in die club noemden wij oom en tante; we kregen een hand en een kusje als ze binnenkwamen, we gaven ze een kusje als we naar bed moesten.

Oom Piet was al weer twaalf jaar dood.

Het was zeker dertig jaar geleden dat ik voor het laatst in die keuken was geweest. In mijn herinnering keek ik toen naar het Eurovisie Songfestival terwijl de grote mensen in de kamer ernaast verhit spraken over Den Uyl, suikerbieten en Israël. In mijn herinnering was er altijd Eurovisie Songfestival op televisie als tante Jo een verjaardag voor de vrienden vierde. Ook lag er altijd een herdershond in een hoek op een deken. Die hond was heel oud en stonk.

Ik had er niet raar van opgekeken als die hond er nog lag. Maar dat was natuurlijk niet zo.

‘Zoek maar een plekje,’ zei tante Jo. Op de stoel die mijn oog uitkoos lag een poes. De poes rekte zich uit en blies. ‘Oh, hier ligt een poes,‘ zei ik. ‘Ze ligt vast lekker te slapen,‘ zei tante Jo.

In mijn herinnering had de hoge keuken een ontelbare rij ingebouwde kastjes, ook boven het aanrecht. Zoiets had niemand. Die kastjes waren allemaal anders geverfd: verschillende tinten blauw, grijs, lever. Dertig jaar later bleken er helemaal geen kastjes boven het granieten blad te hangen. Wel waren er onder het graniet en op een andere plek ingebouwde kasten en laadjes waarvan de deuren en frontjes allemaal verschillende kleuren hadden. Mondriaan-achtig. Het lever bleek helder donkerrood. Het doorgeefluik met deurtjes tussen keuken en kamer was er nog steeds, maar veel kleiner dan ik mij herinnerde. Ook dat had niemand.

Ze had het karakter van het huis zoveel mogelijk proberen te bewaren toen ze er haar intrek nam in 1959, zei tante Jo. ‘Die verschillende kleuren vond ik wel vrolijk. Ik heb het daarna altijd zo gelaten.’

‘Lust je thee?’ Ze schepte de fluitketel in een emmer water en ontstak een vlam op het fornuis.

We aten er Belgische pralines bij. Die had ik nog snel gekocht bij Albert Heijn.

Buiten was het al donker toen ik zei dat ik weer eens op huis aan zou gaan. Ik dacht altijd dat alleen mensen van de generatie van mijn ouders zoiets konden zeggen.

Van alle thee moest ik plassen. ‘Weet je de weg nog?’ vroeg tante Jo. In de wc rook ik een vleugje bleek. Zo deden wij dat vroeger ook. Een scheutje bleek om de boel fris te laten ruiken. Plas op bleek geeft doodgeslagen schuim. Het was heel lang geleden dat ik dat had gezien.

Ik realiseerde me dat er in dertig jaar veel veranderd is in ons denken over een frisse wc.

Luchtspiegeling

luchtspiegelingIk las dat ING 2350 mensen gaat ontslaan. ‘Omdat de meeste verzekeringsproducten dood zijn,’ zei een vakbondsbestuurder in Trouw.

Ik dacht terug aan de tijd dat een verzekeraar mijn boterhammen betaalde. Een vriend noemt het mijn jeugdzonde, zoals hij het rondbrengen van de Telegraaf zijn jeugdzonde noemt. De verzekeraar op de Coolsingel in Rotterdam handelde in angst. Dat zag  je er aan de glanzende buitenkant niet vanaf. De personeelschef, die ook mijn baas was en van boeken hield, sprak  liever over luchtspiegelingen. Bij ons thuis verdienden we geld met het verbouwen van tarwe en suikerbieten. De overgang van suikerbieten naar luchtspiegelingen was best groot. (Pas later ontdekte ik dat een deel van mijn jeugdboterhammen – ik vermoed de witte met stroop – betaald werd door Europa, maar dat terzijde).

Twee decennia geleden stapte ik rond lunchtijd de lift in van het glimmende, donkerrode gebouw. Drie mannen vergezelden mij in de metalen kooi. Ze droegen slecht zittende pakken: groen, hardblauw, bruin. ‘Daar gaan we weer,’ zei de kaalste. Tussen de zware pepermuntlucht zweemde alcohol. De kortste struikelde over niks tegen het bedieningspaneel. ‘Daar gaan we weer,’ zei de dunste. Op iedere verdieping gingen de liftdeuren open. Ik zag overal hetzelfde: een wit gespoten muur met pukkeltjes waarop een enorm metalen bord met zwarte letters. 0730 Archief, 0700 Post, las ik op de tweede. 0970 Schade, 0700 Transport op de vierde. Op vijf en zes 0850 Acceptatie medisch, 3500 Rechtsbijstand en 0600 Brand; op zeven en acht 0840 Acceptatie overig, 3400 Juridische Zaken en 0500 Transport. 1100 Automatisering huisde op negen, 1130 Systemen op tien en 1150 Programma’s op elf. De letters oogden nieuw. 0310 Debiteuren zat stevig op twaalf, getuige de verkleurde letters, 0330 Crediteuren op dertien. Veertien en vijftien waren voor de Intermediairs (zonder nummer). Zestien en zeventien waren voorbehouden aan 0400 Accountmanagement, onderverdeeld in Noord, Oost, Zuid, West. 0110 Vermogensbeheer en 0140 Actuariaat huisden op de achttiende. De drie mannen waren toen al weg.

Ik merkte snel hoe handig die borden waren. Nergens op die twintig verdiepingen werd iets gemaakt. Alleen papier verschoven. Zonder voorstellingsvermogen was je nergens.

Na Trouw las ik de Volkskrant. Die had precies dezelfde vakbondsbestuurder gesproken als Trouw.

Ik dacht dat de FNV groter was; en de journalistiek inventiever.

In de Volkskrant zei de vakbondsbestuurder hoe erg het was dat de gewone schadebehandelaar en ict’er straks op straat zouden staan.

Ik dacht na over het woordje ‘gewoon’. En dat Trouw en de Volkskrant misschien straks ook de helft van het personeel op straat zouden zetten. En dat die vakbondsbestuurder dan zonder tussenkomst van een journalist ergens zou vertellen hoe erg het was dat de gewone journalist op straat stond.

En ook daar moest ik weer over denken. Want de straat leek me geen verkeerde plek voor een journalist.

Aan-uit

afschriftIk had al een tijdje geen afschriften meer ontvangen. Het was elf uur ‘s avonds. Ik stuurde de bank een mailtje.

De volgende ochtend kreeg ik een mail terug. De bank zou mij de ontbrekende afschriften toesturen. De mail was met een volledige naam ondertekend. Daar hou ik van. Dat Jeroen van Wemeldingen of Samira Quint mij schrijft. Een instantie zonder mensen van vlees en bloed is nep.

Jeroen schreef nog meer. De afschriften kwamen niet meer vanzelf. De bank had daarover een brief gestuurd. Hij begreep dat die mij niet bereikt had. Of ik wel of geen afschriften wilde, kon ik tegenwoordig zelf instellen. Bij iedereen had de bank dat standaard op ‘uit’ gezet.

Ik schreef Jeroen dat ik niet slordig was met mijn post en dat de post op mijn adres nog zonder problemen wordt bezorgd. Op de website had ik ook niks gelezen. Probeerde de bank dit er misschien stiekem doorheen te moffelen? Lag mijn onwetendheid toch eerder aan de bank dan aan mij? Ik hou niet van instanties die voor mij gaan denken, de boel veranderen zonder mijn instemming, schreef ik.

Jeroen belde. Dat vond ik sympathiek. Hij legde alles nog eens uit, dat een wereld zonder afschriften beter is voor het milieu en de kosten. Ik zei dat onze nazaten het over vijftig of honderd jaar betreuren dat ze nergens meer kunnen zien waaraan mensen hun geld uitgaven in 2012. Dat beaamde hij. Digitaal was niet alles. Maar het bleek, zei hij, dat mensen de eerste drie maanden bij een nieuwe bank graag afschriften ontvangen en het daarna wel geloven.

Ik snapte plotseling iets meer van de crisis.

Maar dan komen ze meestal niet meer op hun keuze terug, zei Jeroen. En als we mensen vragen of ze hun keuze willen veranderen, laten velen het erbij zitten.

We kwamen er ook achter dat ik nooit een brief gehad had. Het voert te ver dat hier uit te leggen.

Het gesprek met Jeroen was oké. Helaas kon hij de hervatting van de verzending niet ‘aan’ zetten. Maar ik heb niks uitgezet, probeerde ik nog.

Beneden klepperde de brievenbus. Ik zei Jeroen gedag.

Zeeland

zeelandIk zat in mijn renkleding en dronk thee. De nieuwslezer sprak over zware stormen aan de Zeeuwse kust later in de middag. Ik dacht aan Pier en oceaan van Oek de Jong dat ik net gelezen had.

Mijn ouders luisterden liever naar Vlaamse weermannen dan naar Nederlandse. Ze hadden een boerderij. Wat voor West-Vlaanderen gold, gold voor Zeeland. En wat voor Zeeland gold, gold voor ons eiland. Op dat eiland woonde ik niet meer, maar het was ook niet ver weg.

Ik zag druppels op het terras en ging naar buiten.

Droger zou het vandaag niet worden.

Ik draafde onder bomen over een geel tapijt van bladeren. Bij het water hielden de bomen op. Op een picknickbank zat een groep fietsers. Ze droegen olijfgroene en gele oliepakken. Iemand zong: ‘Tien kleine negertjes, die …’ Ik kende de plek goed; hier was geen hek.

De smalle weg langs het water was verlaten. Ik was alleen met de regen en voelde een groot geluk.

Bij de ophaalbrug probeerde een bejaard stel hun benen in een regenbroek te wurmen. Hun fietsen stonden verweesd in de berm. De druppels waren inmiddels best groot. Ik dacht aan mijn middelbare schooltijd: dat je tijdens het laatste uur al zag dat de lucht niet pluis was, maar dat je toch zo lang mogelijk wachtte. Tot het te laat was.

Iets verderop – ik was alweer op de terugweg naar de stad – fietste een meisje mij tegemoet. Ze zat kaarsrecht op het zadel, droeg een grote zonnebril met roze glazen, een hip colbertje op een strakke zwarte broek, eronder hakken; in haar ontblote hals hing een wirwar van opzichtige kettingen. De zwarte broek glom van de regen.

Ze zong.

Bij de sportvelden keerde de bewoonde wereld terug. Vier jongens schoten op een doel. Sam Cookes ‘Wonderful world’ schalde uit de speakers. Ik rook het frituurvet dat klaar was om de alles verdovende frikadellen te ontvangen.

Plakambtenaar

waterpoloteamIk likte de abrikozenjam van mijn vinger. Met mijn andere hand sloeg ik de krantenpagina om. Buiten landde een merel op de plantenbak. Ik nam een hap van mijn boterham en verlegde mijn aandacht weer naar de krant. Elf blote mannen keken mij vriendelijk aan. De minuscule stukjes zwemtextiel konden niet verhinderen dat het roze vlees de foto en de hele krantenpagina domineerde. Ik vergat te kauwen.

Ik nam de krant mee naar mijn slager. ‘Nou,’ zei ze, ‘zo prachtig dooraderd zie je ze niet vaak. Die borstpartijen zou ik wel willen keuren.’

‘Met je mes of met je handen?’

Ze lachte terwijl ze anderhalf ons filet americain in een bakje schepte.

In het café koos ik de tafel naast drie jonge meiden. Ik schatte ze op de valreep van scholier naar student. De krant legde ik nonchalant opengevouwen neer.

‘Zooo.’ De blondste liet sissend wat lucht tussen haar tanden ontsnappen.

Ik schoof de krant naar haar toe.

De meiden schoven hun cafè latteglazen opzij en bogen zich over de roze foto.

‘Niet echt een sport voor kledingsponsoring,’ merkte de roodblonde op.

De andere twee lachten.

‘De keeper lijkt ongelukkig op het droge,’ zei de blondste.

Ook mij was de jongen met de breedste schouderpartij en de enorme handen voor zijn kruis opgevallen.

De middelblonde bewoog haar vingers over de borstpartijen. ‘Zo glad als babybilletjes.’

‘Dat lijkt maar zo,’ zei ik, ‘in de digitale editie krulde bij deze en gene toch nog wat haar op borst en buik.’

‘Gadsie,’ zei de blondste.

‘Geen Arabische toestanden hoor,’ zei ik vlug.

De roodblonde keek me vragend aan.

‘Dat het haar vanaf de rug over de schouders naar de voorkant krult. En omgekeerd,’ verduidelijkte ik.

‘Gadsie,’ zei de blondste nog een keer en rolde met haar ogen.

Ze gaf me de krant terug.

‘Zijn dit Nederlandse gasten?’ De middelblonde liet haar vingers nog een keer over de lijven gaan.

Ik knikte bevestigend. ‘Wassenaarse waterpoloërs.’

Terwijl ik mijn koffie dronk, lachten zij smadelijk om de ‘boerkabroeken, soms tot over de knie!’ van hun mannelijke leeftijdsgenoten aan strand en in zwembad van de voorbije zomer.

‘Ze durven hun onderbroeken niet eens meer uit te trekken wanneer ze na een training douchen,’ betrok de middelblonde mij bij hun gesprek. ‘Zogenaamd omdat die designerdingen anders gestolen worden. Wat vindt u daar nou van?’

‘Het is vast de tijdgeest,’ zei ik, ‘daardoor zijn we zo’n foto helemaal ontwend.’

Ik liet de krant achter.

Ergens had ik gelezen dat foto’s in de vanuit Rotterdam opgestuurde NRC’s aan correspondent in Iran Thomas Erdbrink regelmatig gecensureerd werden. Bijklussende studenten theologie plakten jarenlang stevige blauwe tape over ieder stukje vrouwelijk naakt, zei hij. Kortgeleden waren de Iraanse autoriteiten ermee gestopt.

Ik versnelde mijn pas. Voor het te laat was moest ik zo’n voormalige bijklussende plakambtenaar zien te vinden en hem deze foto voorleggen.

Bij de sigarenboer kocht ik een nieuwe krant.