Oortjes

rembrandtIk zag Vlaamse meesters, het waren er veel, ik liep er snel langs. Bij het doek van een Hollandse meester hield ik stil. Was dit nu chauvinisme? Eerlijk gezegd was het de groep Koreanen, of waren het Japanners?, in een halve maan voor de Hollandse meester die mijn aandacht trok. Een kleine vrouw sprak in een microfoontje dat uit haar koltrui oprees en haar mond zocht. Van haar woorden kon ik geen soep koken. En dat kwam niet alleen omdat ze zacht sprak. Net toen ik mij afvroeg hoe die groep er soep van maakte, zag ik in de middelbare Koreaanse oren zwarte luidsprekertjes. Ook de vrouw die aan de andere kant van deze kleine zaal naar een piepklein stilleven vol aardbeien keek en qua lengte en haarkleur duidelijk bij de groep hoorde, had van die zwarte oortjes in en ontsnapte niet aan de woorden van de koltruivrouw. Ik vroeg mij af of de NSA al een systeem had om ook deze draadloze data op te slaan. Ik had ook een koptelefoon, nog gewoon met een beugel en twee kussentjes rond de luidsprekers die op mijn oren rustten. Via een zwarte draad was ie verbonden met een apparaat dat ik aan het begin had gekregen en dat aan een oranje koord om mijn nek hing. Ik toetste een nummer in en hoorde dat de grootmeester maar liefst tachtig zelfportretten had geschilderd. De selfie bestond al iets langer dan vandaag. Al luisterend bekeek ik de souplesse waarmee de schilder had gewerkt, ‘ook al was hij al oud’, zei het apparaat. Dat laatste snapte ik niet. Waarom zou deze grootmeester na tachtig zelfportretten en duizenden andere tekeningen, etsen en schilderijen het kunstje niet in de vingers hebben? Van de Koreanen had ik geen last. Ik keek met gemak over ze heen. Toch voelde ik me niet groot.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.