Even trainen

Ik liep langs de coffeeshop waar jonge mensen met rolkoffertjes op de stoep stonden te wachten tot de lange man voor de poortjes tijd had om hun identiteitskaarten te controleren. Het was kwart voor een. Iets verderop passeerde ik een blonde vrouw in een legergroene gewatteerde jas die in haar telefoon verzuchtte: ‘Ze is getrouwd met een lieve jongen, maar daarmee is ook alles over hem gezegd.’ Weer iets verder sloeg ik linksaf, ging een zijstraat in en net voor een volgende zijstraat drukte ik op de bel naast de paarse deur. Binnen en een etage hoger drukte mijn buig- en strekjuf op een knop, ik hoorde een zoemend geluid en de deur sprong open. Ik dacht aan wat mijn nichtje gisteren zei over haar werk in een huis vol verstandelijk en soms ook lichamelijk gehandicapte mensen: dat daar tussen half elf ‘s avonds en zeven uur ‘s ochtends niemand is, behalve de bewoners in hun kamers achter gesloten deuren die alleen met een sleutel van buitenaf te openen zijn. Volgens mijn nichtje zat er in die deuren geen elektronica die die deuren bij brand ontgrendelden. Ik trainde vandaag met M die normaal het uur voor mij traint samen met haar veel oudere man, maar die was er vandaag niet. De trainer had ons in de app een ‘spicy duet’ beloofd en ik voelde van alles toen ik een uur later de paarse deur achter me dichttrok. Ik sloeg rechtsaf en liep over het enorme plein dat ook een schoolplein is van een schoolvereniging waar iedereen die het zich kan veroorloven zijn kinderen wel op wil hebben vanwege het grote aanbod aan muziek en toneel en sport en kunst en waarschijnlijk ook vanwege de potentiële vriendjes en vriendinnetjes die ook allemaal ouders hebben die zich deze school konden veroorloven. Ik stak een straat over en wandelde langs het oogziekenhuis waar de mannen en vrouwen van de parkeerservice sinds kort een parasol hebben met daaronder een kleine desk waarop vier Dopper-flessen stonden en een bord met ‘Hier niet roken’ erop. Er werd veel gerookt voor het oogziekenhuis. Iets verderop stonden twee mensen naast een auto met geopend portier te roken. Ook de rokers wilden de ellende niet meer in hun auto. Langs de werkzaamheden voor het Maritiem Museum, rondom het pand van Donner en op de Coolsingel liep ik naar mijn kapsters. Hadden ze tijd om even mijn contouren bij te knippen? Mijn vaste kapster Manuela zegt het na iedere knipbeurt: ‘Je mag over twee, drie weken altijd even langskomen om de contouren te laten doen.’ Vanity had tijd, ze gaf me zelfs thee, ik koos muntthee. Toen ik het zakje uit het plastic haalde zag ik dat het zo’n plastic theezakje was, maar ik ging de goede zorgen van Vanity niet de grond in boren door over microplastics te beginnen en hing het zakje in het hete water. Vanity wist al vroeg dat ze kapster wilde worden, dit snijden wat ze nu bij mij deed vond ze heerlijk om te doen. Nog altijd verkwikt van de spicy training en met iets minder haar liep ik terug naar de metro. Voor ik verder las in Oek de Jongs Cirkel in het gras, eigenlijk herlas, zocht ik nog even op mijn telefoon. Volgens Canadees onderzoek naar plastic theezakjes had ik nu 11,6 miljard microplastics en 3,1 miljard nanoplastics extra in mijn lijf. In Cirkel in het gras, dat zich afspeelt in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw, maken de personages zich nog geen zorgen over plastic, wel over vette puddingbroodjes en over de Rode Brigades, de Italiaanse terreurbeweging die de Italiaanse politicus Aldo Moro ontvoert en vermoordt. De personages noemen terrorisme een ziekte. Ook verliefd zijn noemen ze een ziekte waarvan de genezing volgens hen meer pijn doet dan de ziekte zelf. Zo had iedere tijd zijn door mensenhanden gecreëerde kwalen al leek die laatste me tijdloos.

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.